Selecteer een pagina

HR 29 maart 2013, LJN BZ0173 (FPO/Belterwiede en Reaal)

Het zelfstandige cassatieberoep dat de in hoger beroep gevoegde partij in deze zaak heeft ingesteld, is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang.

Achtergrond

Het materiële geschil in deze zaak draait om een brand die in de nacht van 28 op 29 januari 2007 heeft gewoed in een jachthavencomplex te Lemmer. De eigenaar van het complex, Belterwiede, had via haar assurantietussenpersoon FPO verzekeringen afgesloten bij Reaal Schadeverzekeringen. Na de brand heeft Reaal dekking geweigerd omdat volgens haar het horecagedeelte van het complex (waar de brand heeft gewoed) niet onder de afgesloten verzekeringen valt.

Belterwiede begint daarop een procedure tegen Reaal en FPO. Primair vordert Belterwiede veroordeling van Reaal tot het alsnog verlenen van dekking, en subsidiair (voor het geval blijkt dat het horecagedeelte van het complex niet onder de dekking van de verzekering valt) veroordeling van FPO tot schadevergoeding. De rechtbank wees de primaire vordering af, en de subsidiaire vordering toe.

Procedure in hoger beroep

Belterwiede heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en dat beroep zowel gericht tegen Reaal als tegen FPO. In het hoger beroep tegen Reaal heeft FPO zich vervolgens als partij aan de zijde van Belterwiede gevoegd. Een dergelijke voeging is mogelijk (en daarbij kan ook belang bestaan) ook al was FPO in hoger beroep zelf al partij in de procedure. Vorderingen tegen meerdere partijen blijven namelijk procesrechtelijk gezien zelfstandige rechtsvorderingen, en mede-gedaagde of mede-geïntimeerden kunnen daarom niet ten behoeve van elkaar stellingen of verweren naar voren brengen. Als een partij dat toch wil doen (bijvoorbeeld omdat zij feitelijk last zal hebben van toewijzing van de vordering tegen een mede-gedaagde, denk aan het geval van hoofdelijke aansprakelijkheid) kan zij vragen om zich aan de zijde van die partij in de procedure te mogen voegen.

De voeging als partij in de procedure tegen Reaal heeft Belterwiede (en daarmee ook FPO) in hoger beroep kennelijk niet kunnen baten: het hof heeft (voor zover hier van belang) de uitspraak van de rechtbank in de procedure tegen Reaal bekrachtigd (afwijzing van de vordering van Belterwiede). Datzelfde geldt voor de uitspraak in de procedure tussen Belterwiede en FPO.

FPO heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof, zowel in de zaak tussen Belterwiede en Reaal (waarin FPO in hoger beroep dus als gevoegde partij naast Belterwiede was toegelaten), als in de zaak tussen haarzelf en Belterwiede. De cassatieklachten van FPO in die laatste zaak worden door de Hoge Raad met art. 81 RO verworpen.

Ontvankelijkheid cassatieberoep FPO als gevoegde partij

Met betrekking tot het cassatieberoep van FPO in de eerste zaak rijst de vraag of FPO in dat beroep wel ontvankelijk is. Belterwiede heeft namelijk in de zaak tegen Reaal geen cassatieberoep ingesteld. Naar het oordeel van de Hoge Raad brengt deze omstandigheid mee dat FPO geen belang heeft bij haar cassatieberoep in deze zaak:

“Doordat Belterwiede geen cassatieberoep heeft ingesteld, is de afwijzing van haar vordering tegen Reaal onherroepelijk. Het door FPO als gevoegde partij tegen Reaal ingestelde cassatieberoep kan daarin geen verandering brengen.
FPO heeft evenmin belang erbij dat tussen haar en Reaal wordt vastgesteld hoe de rechtsbetrekking tussen Belterwiede en Reaal luidt. In haar verhouding tot Belterwiede is dat belang niet gelegen. De beslissing in het arrest van het hof omtrent de rechtsbetrekking tussen Belterwiede en Reaal heeft immers geen gezag van gewijsde in de verhouding tussen FPO en Belterwiede.”

A-G Spier was van oordeel dat FPO als gevoegde partij wel een voldoende belang bij haar cassatieberoep had. Volgens de A-G zou een succesvol cassatieberoep van FPO in het arrest in de procedure tussen Belterwiede en Reaal weliswaar niet kunnen meebrengen dat Reaal aan Belterwiede alsnog dekking zou moeten verlenen, maar zou deze omstandigheid wel van praktische betekenis kunnen zijn voor de beoordeling van de vordering van Belterwiede tegen FPO (die immers berust op de stelling dat FPO niet zou hebben gezorgd voor voldoende verzekeringsdekking). De A-G wees daarbij ook op het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2010, LJN BK4549, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de SGP in haar hoedanigheid van tussenkomende partij zelfstandig cassatieberoep kon instellen tegen het hofarrest dat was gewezen in de procedure tussen de Clara Wichmannstichting en de Staat.

De Hoge Raad maakt echter duidelijk dat uit het arrest van 9 april 2010 niet volgt dat FPO als gevoegde partij in deze zaak zelfstandig cassatieberoep kan instellen:

“Anders dan aan de orde was in HR 9 april 2010, LJN BK4549, NJ 2010/388, rov. 3, doet zich hier dan ook niet het geval voor dat de gevoegde partij zelfstandig een rechtsmiddel tegen de uitspraak moet kunnen aanwenden om te voorkomen dat deze jegens haar in kracht van gewijsde gaat en beslissingen daarin jegens haar gezag van gewijsde verkrijgen.”

De Hoge Raad kiest dus voor een meer formele benadering van het vereiste dat een interveniërende partij een voldoende belang moet hebben om zelfstandig een rechtsmiddel in te kunnen stellen. Een dergelijk belang is niet reeds gelegen in de praktische betekenis die (het bestrijden van) de uitspraak voor de gevoegde partij kan hebben. Het moet klaarblijkelijk gaan om een geval waarin beslissingen in die uitspraak (ook) jegens de gevoegde partij gezag van gewijsde kunnen verkrijgen. Overigens liet de Hoge Raad in zijn arrest van 13 april 2012, LJN BW1999 (CB 2012-85) wel toe dat de Staat, die in die zaak in hoger beroep als gevoegde partij was toegelaten aan de zijde van de (niet verschenen) VN, zelfstandig incidenteel cassatieberoep instelde tegen het arrest van het hof. Een verschil met de hier besproken zaak is (in elk geval) dat de eisers tot cassatie in dat geval hun cassatieberoep mede tegen de Staat hadden gericht, en de Staat dus uit dien hoofde al in de cassatieprocedure was betrokken.

De Hoge Raad wijst er tot slot nog op dat FPO door het hof niet in de kosten van Reaal is veroordeeld en ook niet uit dien hoofde belang heeft bij haar cassatieberoep tegen Reaal. Zou een dergelijke kostenveroordeling wel zijn uitgesproken door het hof, dan zou FPO dus wel ontvankelijk zijn geacht in haar cassatieberoep.

Share This