HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3423

De regels van de verjaring van rechtsvorderingen zijn tevens bepalend voor de verjaring van de met die rechtsvorderingen verbonden executoriale titels, met uitzondering van het bepaalde in art. 3:324 BW ten aanzien van de rechterlijke of arbitrale uitspraak. De omstandigheid dat de vordering is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie brengt niet mee dat de twintigjarige verjaringstermijn van art. 3:324 BW geldt, nu de vastlegging van een schikking in een proces-verbaal niet kan worden aangemerkt als een rechterlijke uitspraak.

De feiten

Leningen van de ene partner aan de andere partner hadden geleid tot een vordering van € 150.000,– van de een op de ander. Jaren na het einde van de relatie en ondanks toezeggingen was het tot terugbetaling nog niet gekomen.

Op 31 mei 2007 had eiseres tot cassatie conservatoir derdenbeslag laten leggen. In de daarop volgende procedure zijn partijen overeengekomen dat aan eiseres uiterlijk op 20 juli 2008 een bedrag van € 95.000,– zou worden terugbetaald, waarna het beslag zou worden opgeheven. Deze overeenkomst was vastgelegd in een proces-verbaal dat was uitgegeven in executoriale vorm (art. 87 lid 3 Rv). Op 18 september 2008 heeft eiseres het proces-verbaal aan de wederpartij laten betekenen en op 23 december 2013 aan de derde-beslagene. Verweerder in cassatie is deze overeenkomst niet nagekomen.

Op 24 februari 2014 heeft verweerder eiseres in kort geding gedagvaard en onder verbeurte van een dwangsom gevorderd dat het beslag zou worden opgeheven, omdat de vordering is verjaard. De voorzieningenrechter heeft het beslag opgeheven. Hij oordeelde dat eiseres op verweerder een (rechts)vordering heeft tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals bedoeld in art. 3:307 BW. Deze rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. De Hoge Raad oordeelt niet anders.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad wijst erop dat, indien tijdens een comparitie van partijen een schikking tot stand komt, en een partij dat verlangt, een proces-verbaal wordt opgemaakt waarin de verbintenissen die partijen als gevolg van die schikking op zich nemen, worden vastgelegd. Hoewel de uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executoriale vorm wordt daarin derhalve de overeenkomst van partijen vastgelegd. Dat de afgifte van het proces-verbaal geschiedt door een rechter, maakt dat niet anders. Ook in onderhavige zaak is de in het proces-verbaal vastgelegde vordering van eiseres een vordering uit overeenkomst.

De art. 3:306 e.v. BW regelen de verjaring van rechtsvorderingen. Deze verjaring is tevens bepalend voor de verjaring van de met die rechtsvorderingen verbonden executoriale titels, met uitzondering van het bepaalde in art. 3:324 BW. Nu de in het proces-verbaal vastgelegde vordering van eiseres een vordering uit overeenkomst is, geldt daarvoor ingevolge art. 3:307 lid 1 BW een verjaringstermijn van vijf jaar, aldus de Hoge Raad. De omstandigheid dat de vordering is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie brengt niet mee dat de verjaringstermijn van art. 3:324 BW geldt, nu de vastlegging van een schikking in een proces-verbaal niet kan worden aangemerkt als een rechterlijke uitspraak.

Share This