Selecteer een pagina

HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6727 (A c.s./Tennisvereniging De IJpelaar)

Een kwalitatief recht (art. 6:251 BW) hoeft door de schuldeiser niet mede te zijn bedongen ten behoeve van diens rechtsopvolgers onder bijzondere titel, ook niet naar oud recht. Een beroep op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) – waarvoor in kort geding geen plaats is – mag door de rechter worden opgevat als een beroep op derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). Voor derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid is vereist dat gebondenheid aan de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en niet of gebondenheid niet langer redelijk is.

Tennisvereniging De IJpelaar is in 1982 met een aantal omwonenden, waaronder A en X, overeengekomen dat rond vier van de negen banen geen lichtmasten zullen worden geplaatst. In ruil hiervoor lieten de betrokken omwonenden hun bezwaren tegen lichtmasten rond de overige vijf banen varen. De Tennisvereniging heeft in 2005 besloten om ook rond de vier banen die onderwerp waren van de overeenkomst, lichtmasten te plaatsen. A, en het echtpaar B en C, die eerder dat jaar het naast de Tennisvereniging gelegen huis van X hadden gekocht, hebben vervolgens in dit kort geding een verbod op het plaatsen van nieuwe lichtmasten gevorderd.

Kwalitatief recht

De Tennisvereniging heeft als verweer gevoerd dat B en C geen rechten kunnen ontlenen aan de overeenkomst die in 1982 is gesloten tussen de Tennisvereniging en X. Volgens B en C kunnen zij dat echter wel, omdat het uit de overeenkomst voortvloeiende recht van X moet worden aangemerkt als een kwalitatief recht, zodat het bij de overdracht van de woning van rechtswege op hen is overgegaan. Een kwalitatief recht is een recht dat in zodanig verband staat met een aan de schuldeiser toebehorend goed, dat hij bij dat recht slechts belang heeft zolang hij het goed behoudt (art. 6:251 lid 1 BW).

Het hof heeft de Tennisvereniging gelijk gegeven. Volgens het hof moet naar oud recht (art. 1354 BW (oud)) worden beoordeeld of B en C rechten kunnen doen gelden uit de overeenkomst tussen X en de Tennisvereniging. En, zo oordeelde het hof, het oude recht stelde als eis voor de overgang van een kwalitatief recht op rechtsopvolgers onder bijzondere titel dat het desbetreffende recht mede ten behoeve van die rechtsopvolgers is bedongen.

Volgens de Hoge Raad is deze beslissing om twee redenen onjuist. Ten eerste is het nieuwe recht – dat niet de eis stelt dat het betreffende recht mede ten behoeve van rechtsopvolgers onder bijzondere titel is bedongen – van toepassing. B en C hebben de woning namelijk van X gekocht en geleverd gekregen ná de inwerkingtreding van het nieuwe recht, zodat de rechtsgevolgen van deze overgang worden beheerst door het op dat tijdstip geldende recht. Ten tweede, zo overweegt de Hoge Raad, stelde ook het oude recht niet de eis dat het recht mede ten behoeve van rechtsopvolgers is bedongen.

Gebondenheid aan overeenkomst

De Tennisvereniging heeft verder als verweer gevoerd dat zij niet langer aan de overeenkomst uit 1982 gebonden is. Het hof heeft ook dit verweer gehonoreerd en daartoe overwogen dat het redelijk is de Tennisvereniging niet langer gebonden te achten aan de gemaakte afspraken.

De Hoge Raad vat het oordeel van het hof op als toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). Weliswaar had de Tennisvereniging zich op het leerstuk onvoorziene omstandigheden (een species van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid) beroepen, maar zij had niet conform art. 6:258 BW wijziging of ontbinding van de overeenkomst verzocht. Dat zou volgens de Hoge Raad ook op bezwaren zijn gestuit omdat een zodanige wijziging of ontbinding plaatsvindt bij een constitutieve rechterlijke uitspraak, waarvoor in kort geding geen plaats is. De rechter mag in zo een geval een beroep op art. 6:258 BW dus lezen als een beroep op art. 6:248 lid 2 BW. Omgekeerd kan overigens ook, zo valt te lezen in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal (sub 22).

Vervolgens beoordeelt de Hoge Raad of het hof bij de toepassing van art. 6:248 lid 2 BW een juiste maatstaf heeft gehanteerd. Dat is niet het geval, aangezien het hof heeft overwogen het redelijk te achten dat de Tennisvereniging niet langer aan de overeenkomst van 1982 gebonden was, terwijl het had moeten onderzoeken of die gebondenheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Dit oordeel is in lijn met bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad.

Eisers tot cassatie zijn in deze zaak bijgestaan door Sikke Kingma en de auteur.

Share This