Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Tekortkoming in een overeenkomst van opdracht; op wie rust de bewijslast?

CB 2018-160 Geplaatst op 11 oktober 2018 door

HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1776

Als een opdrachtnemer de van de opdrachtgever ter doorbetaling aan een derde ontvangen geldbedragen voor zichzelf behoudt, schiet de opdrachtnemer tekort in de uitvoering van de opdracht. De opdrachtgever lijdt dan schade ten belope van die geldbedragen. Op grond van art. 7:403 lid 2 BW is het aan de opdrachtnemer om te bewijzen dat hij over de geldbedragen heeft beschikt overeenkomstig het doel waarvoor ze aan hem zijn verschaft en er dus geen sprake is van een tekortkoming.

Achtergrond van de zaak

Eiseres  in deze zaak heeft geld ter beschikking gesteld aan een goede vriend (hierna: verweerder). Afgesproken werd dat verweerder het geld zou doorbetalen aan een Irakese kennis. De Irakese kennis zou het geld nodig hebben om een aan hem toekomende erfenis in Irak veilig te stellen en te gelden te maken. Eiseres zou het geld (met winst) terugkrijgen. Het geld is echter noch door verweerder, noch door de Irakese kennis, aan eiseres terugbetaald. In de onderhavige procedure vordert eiseres een veroordeling van verweerder tot terugbetaling van het geld. Eiseres stelt dat verweerder het geld nooit aan de Irakese kennis heeft doorbetaald, maar in eigen zak heeft gestoken.

Procesverloop

De rechtbank wees de vordering toe en overwoog dat tussen partijen de afspraak heeft bestaan dat eiseres aan verweerder geld zou geven dat bestemd was voor de Irakese kennis en dat verweerder dat geld ook aan die Irakese kennis zou doorbetalen. Volgens de rechtbank heeft verweerder niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast van zijn stelling dat hij de ontvangen gelden inderdaad aan de Irakese kennis heeft doorbetaald, zodat het ervoor moet worden gehouden dat verweerder dat niet heeft gedaan en de gelden zelf heeft gehouden.

Het hof dacht daar echter anders over en wees de vordering van eiseres af. Volgens het hof was er tussen partijen een overeenkomst van opdracht ontstaan. Het hof overwoog dat pas als zou komen vast te staan dat verweerder het geld zelf heeft behouden, verweerder toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, wat onder voorwaarden (tevens) een onrechtmatige daad kan opleveren. Daarvoor dient er echter  wel sprake te zijn van schade en een causaal verband. Daarnaast overwoog het hof dat het op grond van art.  150 Rv aan eiseres is om te bewijzen dat verweerder het geld zelf heeft gehouden en niet heeft doorbetaald, omdat zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Daar is eiseres volgens het hof niet in geslaagd. Bovendien is volgens het hof gesteld noch gebleken dat  er sprake is van schade en een causaal verband.  Het hof komt dan ook tot de slotsom dat van een onrechtmatige daad geen sprake is en wijst de vordering af.

Cassatie

Dat oordeel houdt  geen stand in cassatie. Met betrekking tot de aanwezigheid van het causaal verband en de schade overweegt de Hoge Raad:

“Dit geval wordt erdoor gekenmerkt dat, naar in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen, een opdrachtnemer de van de opdrachtgever ter doorbetaling aan een derde ontvangen geldbedragen voor zichzelf heeft behouden. In een zodanig geval is de opdrachtnemer in de uitvoering van zijn opdracht tekortgeschoten. De opdrachtgever lijdt dan schade ten belope van die geldbedragen, ongeacht de bestemming die de opdrachtgever uiteindelijk aan de geldbedragen had toegedacht. De opdrachtnemer kan zich dus in dit geval niet met succes erop beroepen dat causaal verband ontbreekt tussen zijn handelen en de schade op de grond dat de opdrachtgever de geldbedragen ook niet zou hebben teruggekregen bij correcte uitvoering van de opdracht. Nu het hof van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, slaagt het onderdeel.”

Daaropvolgend overweegt de Hoge Raad dat ook het oordeel van het hof dat de bewijslast van de stelling dat verweerder het geld zelf heeft gehouden op eiseres rust, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en geen stand kan houden.

Op grond van art. 7:403 lid 2 BW heeft een opdrachtnemer immers een verantwoordingsplicht jegens  zijn opdrachtgever. Deze verantwoordingsplicht ziet eveneens op uitgegeven of ten behoeve van de opdrachtgever ontvangen gelden. Deze regel brengt met zich dat, indien een opdrachtgever (in dit geval eiseres) aan een opdrachtnemer (in dit geval verweerder)  gelden verstrekt en de opdrachtnemer zich jegens de opdrachtgever erop beroept dat hij over die gelden heeft beschikt overeenkomstig het doel waarvoor ze aan hem zijn verschaft, de opdrachtnemer de daartoe door hem gestelde feiten dient te bewijzen. Het hof is daar ten onrechte aan voorbij gegaan.

De Hoge Raad vernietigt dan ook het arrest van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

email print