HR 13 maart 2015, ECLI:NL:2015:600 (ABN AMRO / Rabobank c.s.)

Gelet op de aard en functie van een abstracte bankgarantie in het handelsverkeer is strikte toepassing van de daarin gestelde voorwaarden geboden. Dit is anders indien sprake is van bedrog of willekeur aan de zijde van de begunstigde of van degene die opdracht gaf voor het stellen van de garantie. De zekerheidsfunctie van de bankgarantie vereist dat de bank haar beroep op bedrog of willekeur onverwijld tegenwerpt, met opgave van redenen die dit beroep kunnen dragen.

De casus

Amstelpark (eiser tot cassatie sub 2) heeft met Giebros een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Deze overeenkomst hield in dat Giebros technische installaties zou leveren en plaatsen tegen een aanneemsom van €1.265.000,- ex. BTW. Giebros heeft deze werkzaamheden laten voorfinancieren door ABN AMRO (althans, haar rechtsvoorganger Fortis) en Amstelpark heeft (niet ten behoeve van Giebros zelf, maar) ten behoeve van ABN AMRO een bankgarantie doen stellen door Rabobank strekkende tot zekerheid van betaling van 90% van de aanneemsom (€1.138.500). De betalingsafroep diende te zijn voorzien van een door Giebros of ABN AMRO ondertekende verklaring, inhoudende dat Amstelpark haar betalingsverplichtingen niet was nagekomen en het bedrag dat zij verschuldigd is.

Nadat ABN AMRO inderdaad bij de Rabobank om uitbetaling onder de bankgarantie vroeg, weigerde Rabobank dit, stellende – voor zover hier van belang – dat volgens haar cliënt (Amstelpark) de hoogte van het factuurbedrag apert onjuist zou zijn. Giebros is enkele maanden later failliet verklaard.

Abstracte bankgarantie; eerst betalen, dan praten

Een bankgarantie is een zekerheidsfiguur waarbij de bank de nakoming garandeert van verplichtingen van een partij jegens zijn wederpartij. Of en in hoeverre de lotgevallen van de onderliggende rechtsverhouding ook rechtens van invloed zijn op (de uitvoering van) de bankgarantie, hangt af van de aard van de bankgarantie. Is sprake van een abstracte bankgarantie (vast te stellen door middel van uitleg van de bankgarantie volgens het Haviltex-criterium; HR 25 september 1998, NJ 1998/892), dan is die invloed minimaal en geldt het credo: “eerst betalen, dan praten”. Op de bank rust dan een zelfstandige betalingsverplichting, die nagekomen moet worden indien en zodra aan de voorwaarden is voldaan, ongeacht eventuele verweermiddelen die de opdrachtgever in zijn rechtsverhouding met de begunstigde zou kunnen inroepen. De opdrachtgever moet vervolgens zelf met de begunstigde uitvechten of deze wel recht had op het uitbetaalde bedrag.

In het financieringsverkeer neemt de abstracte bankgarantie een belangrijke plaats in en daarom moet strikte toepassing worden gegeven aan in dergelijke garanties gestelde voorwaarden (HR 9 juni 1995, NJ 1995/639). Op dit beginsel van strikte conformiteit kan slechts (en dan op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid) een uitzondering worden gemaakt in geval van bedrog of willekeur aan de zijde van de begunstigde of van degene in wiens opdracht de bankgarantie is gesteld, aldus HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2778, NJ 2004/309.

Oordeel van het hof

In de hier besproken casus had het hof toch een zekere afhankelijkheid van de (zoals tussen partijen in confesso was: abstracte) bankgarantie en de onderliggende rechtsverhouding aangenomen. Het scharnierpunt van die afhankelijkheid lag in de voorwaarde dat de afroep vergezeld moest gaan van de verklaring dat Amstelpark haar betalingsverplichtingen niet nakwam. Daaruit leidde het hof af dat de aanspraak die ABN AMRO als begunstigde aan de bankgarantie kon ontlenen niet groter kon zijn dan het bedrag waarop Giebros jegens Amstelpark aanspraak had. Dat laatste vergde in de visie van het hof een zekere inhoudelijke beoordeling van de onderliggende rechtsverhouding. Aanspraak zou namelijk ontbreken als Amstelpark de slottermijn om wat voor reden dan ook niet (meer) verschuldigd zou zijn aan Giebros. Het hof zag in de stellingen van Rabobank grond voor het maken van een uitzondering op het beginsel van strikte conformiteit vanwege bedrieglijk of frauduleus handelen.

In dit geval was een bijzonderheid dat bij de bankgarantie niet, zoals meestal, drie partijen, maar vier partijen betrokken waren. De begunstigde van de bankgarantie was namelijk niet Giebros, maar ABN AMRO. Daarmee rees de vraag of Rabobank uitbetaling mocht weigeren, ook als ABN AMRO zelf niet wist dat de verklaring van Giebros onjuist en frauduleus was. Het hof beantwoordde die vraag bevestigend, omdat ook voor ABN AMRO duidelijk was dat de kenbare bedoeling van de bankgarantie was dat zij slechts recht op uitbetaling zou hebben als Giebros grond had om te verklaren dat Amstelpark haar verplichtingen niet was nagekomen.

Abstract, dus (in beginsel) onafhankelijk

In cassatie richt ABN AMRO eerst haar pijlen op het oordeel dat de bankgarantie – via de band van de verklaring dat niet aan de betalingsverplichtingen is voldaan – afhankelijk is van de onderliggende rechtsverhouding. ABN AMRO werkt deze klachten uit met een beroep op art. 149 Rv en de grenzen van de rechtsstrijd in appel, stellende dat tussen partijen tot uitgangspunt strekte dat het hier ging om een abstracte bankgarantie, waarbij (dus) uitbetaling slechts geweigerd mag worden bij “fraude” als toepassing van een zeer beperkte uitzondering op het beginsel van strikte conformiteit.

Bij de behandeling van de klachten wijst de Hoge Raad eerst, net als in 2004, op de bijzondere positie van de bankgarantie in het handelsverkeer. Deze bijzondere positie werkt ook door in de maatstaf voor uitleg van de abstracte bankgarantie:

“4.2.1 (…) Uit de aard en functie van de abstracte bankgarantie vloeit tevens voort dat bij de uitleg daarvan groot gewicht toekomt aan de (strikt te lezen) bewoording van de garantie.”

De Hoge Raad houdt vervolgens vast aan de uitgangspunten dat de betalingsverplichting in een abstracte bankgarantie zelfstandig is ten opzichte van de onderliggende rechtsverhouding; dat verweren uit die rechtsverhouding in beginsel niet kunnen worden tegengeworpen aan de begunstigde en dat dit slechts anders is indien sprake is van bedrog of willekeur aan de zijde van de begunstigde of degene in wiens opdracht de garantie is gesteld. De Hoge Raad merkt verder op dat het bedrog of die willekeur ook betrekking kan hebben op de onderliggende rechtsverhouding.

Hieruit volgt ten eerste dat ’s hofs oordeel dat de bankgarantie niet (geheel) onafhankelijk is van de onderliggende rechtsverhouding onjuist is. Ten tweede slagen daarom ook de klachten tegen het oordeel dat het ook voor ABN AMRO de “kenbare bedoeling” was dat er slechts recht op uitbetaling onder de bankgarantie bestond als Giebros grond had te verklaren dat Amstelpark haar betalingsverplichtingen niet was nagekomen. Zonder nadere motivering is, aldus de Hoge Raad, niet begrijpelijk hoe een dergelijke bedoeling valt te rijmen met het abstracte karakter van de garantie.

Wetenschap bij derde-begunstigde niet vereist

Een uitzondering op het beginsel van strikte conformiteit kan ook worden aangenomen indien sprake is van fraude of willekeur aan de zijde van degene die opdracht gaf tot het stellen van een bankgarantie. Ten aanzien van de wetenschap van frauduleus handelen oordeelt de Hoge Raad dat niet vereist is dat degene die de garantie afroept, op het moment van afroepen wetenschap heeft van het gestelde bedrog of van de beweerde willekeur. Hierop strandt de klacht van ABN AMRO tegen het oordeel van het hof dat Rabobank betaling mocht weigeren, ook indien ABN AMRO (als derde-begunstigde) niet wist dat de verklaring van Giebros frauduleus was.

Beroep op bedrog/willekeur: onverwijld en gemotiveerd

De Hoge Raad benadrukt vervolgens dat het op de weg van de bank ligt om het beroep op bedrog of willekeur onverwijld te doen. De Hoge Raad overweegt dat een bank bij weigering van betaling met een beroep op bedrog of willekeur niet met zoveel woorden de juridische grondslag daarvan behoeft te vermelden, maar dat deze weigering wel onverwijld moet worden medegedeeld en met voldoende duidelijke redenen die een beroep op fraude of willekeur kunnen dragen (rov. 4.2.2).

Aan dat laatste ontbrak het in dit geval, omdat de door Rabobank opgegeven grond voor weigering, te weten dat volgens haar opdrachtgever de hoogte van de gestelde factuur apert onjuist zou zijn, naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende gespecificeerd is.

“4.7 (…) Daaruit volgt immers nog niet dat sprake is van bedrog of willekeur. Rabobank heeft eerst in hoger beroep een onderbouwd beroep op bedrog of willekeur gedaan.”

A-G Vlas koos op dit punt overigens een andere invalshoek en concludeerde tot verwerping van het beroep. Volgens Vlas had het hof het abstracte karakter van de bankgarantie niet miskend, maar gewoon toepassing gegeven aan de regel dat betaling dient te worden geweigerd wanneer sprake is van een frauduleus betalingsverzoek. ’s Hofs oordeel dat daarvan sprake was, kon volgens Vlas niet met succes bestreden worden omdat hier sprake was van een aan het hof voorbehouden waardering van de gestelde feiten. Hij constateerde in dat verband dat Rabobank de omstandigheden die aanleiding waren voor de betalingsweigering ten processe had aangevoerd (zie weergave in rov. 2.19 van het arrest van het hof) en dat ABN AMRO die omstandigheden onvoldoende had weersproken (onderdeel 2.29).

De Hoge Raad ziet dit dus anders en verlangt dat de weigering van betaling vanwege bedrog of willekeur onverwijld wordt gedaan en met redenen omkleed is. Ontbreekt een dergelijke onverwijlde weigering met adequate opgave van redenen, dan kan dit verzuim niet ten processe worden hersteld.

Share This