HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:461

Het oordeel dat de geneeskundige verklaring en de verklaring van de psychiater ter zitting de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een psychische stoornis geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Die verklaringen houden concreet niet meer in dan dat bij betrokkene sprake is van lichamelijke schade.

Verslaving aan middelen, alcohol of drugs, het blijft onder de Wet Bopz een lastige kwestie. In zijn beschikking van 23 september 2005 heeft de Hoge Raad overwogen dat verslaving aan middelen als alcohol en drugs niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Die maatstaf is herhaald in onder meer de beschikking van 10 oktober 2014 (CB 2014-156; daar wordt ook gewezen op een afdoening met toepassing van art. 81 RO  in een latere beschikking van de Hoge Raad, van 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1227); ook in de uitspraak in de onderhavige zaak verwijst de Hoge Raad naar de in 2005 gegeven maatstaf (en uitspraak).

De lichamelijke problemen van betrokkene als gevolg van alcoholverslaving waren in deze zaak zeer ernstig. Volgens de geneeskundige verklaring als aangehaald door de Hoge Raad was bij betrokkene als gevolg van ernstige alcoholafhankelijkheid sprake van een zenuwaandoening, een evenwichtsaandoening en een slecht functionerende lever. Betrokkene blijft hulp voor haar verslaving afwijzen, waardoor haar aandoeningen verslechteren. Dit betekent volgens de geneeskundige verklaring “dat de verslaving betrokkene in haar macht heeft”. De ter zitting gehoorde psychiater heeft onder meer verklaard dat bij betrokkene sprake is van ernstige lichamelijke schade, dat de cognitieve schade moet worden onderzocht en dat daarom een opname noodzakelijk is.  Uit de conclusie (onderdeel 2.5) van de plaatsvervangend Procureur-Generaal (plv. P-G) blijkt dat het gevaar in de geneeskundige verklaring was omschreven als “gevaar voor verwaarlozing en ernstig lichamelijk letsel, waarbij het realistisch is dat dit op korte termijn tot de dood zal leiden, bijvoorbeeld door een maag- of slokdarmbloeding, of stikken in haar eigen braaksel. Op de langere termijn kan zij overlijden aan leverfalen, een ongelukkige val of een hersenbloeding”.

De plv. P-G meende dat aan de door de Hoge Raad in 2015 geformuleerde maatstaf was voldaan: “2.6 Uit de geneeskundige verklaring blijkt niet van comorbiditeit (samenloop van verscheidene stoornissen van de geestvermogens). De bevinding van de psychiater “dat de verslaving betrokkene in haar macht heeft” duidt evenwel op een situatie waarin de stoornis van de geestvermogens door gebruik van middelen een zodanige mate van ernst heeft bereikt dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarlijke daden van de betrokkene overwegend beheerst. Gezien deze diagnose en hetgeen ter zitting is verklaard, heeft de rechtbank de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf m.i. niet miskend, ook al heeft de rechtbank deze maatstaf niet met zoveel woorden in haar motivering herhaald.”.

De Hoge Raad beoordeelt het echter anders:

De rechtbank heeft met haar oordeel dat de geneeskundige verklaring en de verklaring van de psychiater ter zitting de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een psychische stoornis als hiervoor [..] vermeld, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Die verklaringen houden concreet niet meer in dan dat bij betrokkene sprake is van lichamelijke schade. De enkele passage in de geneeskundige verklaring “dat de verslaving betrokkene in haar macht heeft” is in het licht van de overige inhoud van de geneeskundige verklaring en van de verklaring van de psychiater ter zitting niet toereikend om het oordeel te rechtvaardigen dat sprake is van een psychische stoornis als zojuist bedoeld.

 

Share This