HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:108

De rechter kan niet alleen een onderzoek door een deskundige bevelen over de vraag of bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestesvermogens, maar ook (onder meer) over de vragen of deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken en of het gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten het psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend (art. 48, lid 1 sub a Wet Bopz).

Ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis

De Wet BOPZ verleent aan de geneesheer-directeur de bevoegdheid om te beslissen over een verzoek van een patiënt om uit het psychiatrisch ziekenhuis, waar hij onvrijwillig verblijft, ontslagen te worden. De geneesheer-directeur kan beslissen tot voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontslag (respectievelijk art. 47 en art. art. 48 Wet Bopz). Naast de formele ontslaggronden uit art. 48 lid 1 sub b Wet BOPZ – verband houdende met het verstrijken van de geldigheidsduur van de rechterlijke machtiging – zijn in art. 48 lid 1 sub a Wet BOPZ materiële ontslaggronden opgenomen. Op grond hiervan wordt ontslag verleend “(zodra) de betrokkene niet of niet langer in zijn geestesvermogens gestoord of gevaarlijk is dan wel het gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend”. De geneesheer-directeur dient daarmee onder meer (voorwaardelijk) ontslag aan de patiënt te verlenen indien deze nog wel lijdt aan de geestesstoornis, maar niet langer gevaarlijk is (art. 47 Wet BOPZ). Wanneer de geneesheer-directeur het ontslagverzoek van de patiënt passeert, kan deze de officier van justitie schriftelijk verzoeken de beslissing van de rechter te verzoeken (art. 49 lid 3 Wet BOPZ art. 49 lid 3 Wet Bopz). De rechter kan vervolgens, ambtshalve of op verzoek van partijen, op grond van art. 8 lid 6 Wet BOPZ art. 8 lid 6 Wet Bopz  een deskundige aanwijzen. Wanneer mag een verzoek van een patiënt om een contra-expertise worden afgewezen?

Achtergrond van deze zaak

In deze zaak was het ontslagverzoek van een patiënt die onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis, de Dr. Henri van der Hoeven-kliniek te Utrecht, verbleef door de geneesheer-directeur afgewezen. Uiteindelijk is dit ontslagverzoek via de officier van justitie voorgelegd aan de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de patiënt, voor zover in deze zaak van belang, om een contra-expertise verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat naar haar oordeel geen twijfel bestond over de aanwezigheid van een geestesstoornis bij de patiënt: de geneesheer-directeur, de psychiater en de afdelingsassistent hebben dit, onafhankelijk van elkaar, bevestigd.

Cassatie

In cassatie klaagt de patiënt onder meer over de afwijzing van het verzoek om een contra-expertise. Deze klacht slaagt. Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank miskend dat de rechter op grond van art. 48 lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz, niet alleen een onderzoek door een deskundige kan laten bevelen over de vraag óf sprake is van een geestesstoornis, maar ook (onder meer) over de vragen of deze geestesstoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken en of het gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten het psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend (rov. 3.3.2).

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Rechtbank Amsterdam en verwijst de zaak naar haar terug ter verdere behandeling en beslissing.

 

 

Share This