ECLI:NL:HR:2019:1691

De regeling van wraking van rechters, neergelegd in de art. 36 – 39 Rv, is ook van toepassing op een machtigingsprocedure op de voet van de Wet Bopz. Indien in een procedure tot het verlenen van een machtiging uit hoofde van de Wet Bopz een wrakingsverzoek wordt gedaan, geldt als uitgangspunt dat de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, niet op het verzoek tot het verlenen van de machtiging mag beslissen zolang niet op het wrakingsverzoek is beslist.

De feiten

Op 21 november 2018 heeft de burgemeester van Den Haag ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling gegeven. De officier van justitie heeft op 26 november 2018 aan de rechtbank verzocht om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz) te verlenen. Op 29 november 2018 heeft een enkelvoudige kamer van de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Tijdens deze zitting heeft betrokkene een verzoek gedaan tot wraking van de rechter. De rechter heeft de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van de beslissing op dit wrakingsverzoek.  Bij beschikking van diezelfde datum heeft dezelfde rechter de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend voor tot en met 20 december 2018. Over het wrakingsincident overweegt de rechter dat zij zich na de zitting genoodzaakt zag het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling toe te wijzen omdat, gelet op de uiterste beslisdatum, uiterlijk op die dag op het verzoek moest worden beslist.

De wrakingskamer van de rechtbank heeft bij beschikking van 12 december 2018 het wrakingsverzoek afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat wraking van een rechter die de zaak al in volle omvang heeft beslist, niet mogelijk is.

Wraking en Wet Bopz

De regeling van wraking van rechters, neergelegd in art. 36-39 Rv, is ook van toepassing op een machtigingsprocedure op de voet van de Wet Bopz. Als uitgangspunt geldt dat de rechter tegen wie een wrakingsverzoek is gericht, niet op het verzoek tot het verlenen van een machtiging mag beslissen zolang niet op het wrakingsverzoek is beslist. Indien de rechter niet in de wraking berust, zal zo spoedig mogelijk door de wrakingskamer op het wrakingsverzoek moeten worden beslist. Art. 48 lid 2 Wet Bopz is dan van overeenkomstige toepassing totdat op het wrakingsverzoek is beslist en de rechter (bij gegrondbevinding van het wrakingsverzoek: een andere rechter) het noodzakelijke onderzoek ter zake van de gevraagde machtiging heeft kunnen verrichten en daarop heeft beslist. Dit betekent dat de geneesheer-directeur tot dat moment geen ontslag verleent uit het ziekenhuis, ondanks het verstreken zijn van de wettelijke beslistermijn. Het belang van betrokkene om vooraf het wrakingsverzoek te laten beoordelen gaat in dat geval boven het belang van een rechterlijke beslissing binnen de wettelijke termijn.
Betrokkene kon gedurende een termijn van vijf dagen na de dag waarop het wrakingsverzoek werd gedaan, niet uit de kliniek worden ontslagen. Er bestond dus nog geen noodzaak voor de rechter tegen wie het wrakingsverzoek was gericht, om op het verzoek tot het verlenen van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te beslissen.

Beginsel hoor en wederhoor

Uit het proces-verbaal blijkt dat, nadat betrokkene zelf kort het woord had gevoerd, de behandeling van de zaak is geschorst. Betrokkene en haar advocaat zijn door de schorsing niet in de gelegenheid geweest zich over het verzoek van de officier van justitie uit te laten. Niet is gebleken dat betrokkene of haar advocaat afstand hebben gedaan van het recht om op het verzoek van de officier van justitie te worden gehoord. Door op het verzoek te beslissen zonder dat de mondelinge behandeling was voortgezet, heeft de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.

De Hoge Raad overweegt dat het belang dat er spoedig wordt beslist over de rechtmatigheid van onvrijwillige vrijheidsbeneming met zich kan brengen dat de rechter, ondanks een tegen hem gericht wrakingsverzoek, de behandeling ter zitting voltooit, zonder nog de zaak zelf te beslissen. Dit laat onverlet dat indien het wrakingsverzoek gegrond wordt bevonden, betrokkene in beginsel recht heeft op een hernieuwde behandeling ten overstaan van een rechter die alsdan op het verzoek tot het verlenen van de machtiging beslist.

De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst terug.

Share This