Selecteer een pagina

HR 11 januari 2013, LJN BX9830

De rechter kan oordelen dat er geen vermogensschade is geleden, als een vergelijking van de oude met de nieuwe toestand aan het licht brengt dat de nieuwe toestand voor de partij die schadevergoeding verlangt geen achteruitgang inhoudt ten opzichte van de oude, en die partij er geen rechtens te respecteren belang bij heeft dat de oude toestand wordt hersteld. De schade dient in beginsel te worden begroot naar het moment waarop zij wordt geleden, maar gebeurtenissen van later datum kunnen meebrengen dat van de getroffene in redelijkheid kan worden verlangd dat hij zijn aanspraak beperkt.

Deze zaak betreft een schadestaatprocedure. Aan de hoofdprocedure lag een overeenkomst ten grondslag tot ruil van percelen. Deze overeenkomst was in 1997/1998 aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat de bestemming van het door eiser in cassatie te ontvangen perceel zou worden gewijzigd van “grasland” in “sierteelt”.

Tussen de partijen bij de ruilovereenkomst is een geschil ontstaan over de vraag of eiser tot cassatie tijdig een beroep had gedaan op de ontbindende voorwaarde. De rechtbank beantwoordde deze vraag ontkennend en heeft eiser onder meer veroordeeld om enige werkzaamheden uit te voeren, waartoe hij zich bij deze overeenkomst en een aanvullende overeenkomst had verbonden. Verweerder heeft dit vonnis in augustus 2003 aan eiser laten betekenen met bevel om daaraan te voldoen.

Bij arrest van 19 april 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, geoordeeld dat tijdig een beroep op de ontbindende voorwaarde was gedaan en verder onder meer verweerder tot cassatie veroordeeld tot het vergoeden van schade, op te maken bij staat, die eiser tot cassatie ten gevolge van het in 2000 gelegde conservatoir beslag op zijn perceel heeft geleden. Bij notariële akte van 28 augustus 2007 heeft eiser ten behoeve van de Staat ten aanzien van het perceel waarop de ruilovereenkomst zag een kwalitatieve verplichting op zich genomen om een gedeelte van dat perceel niet meer voor de uitoefening van de landbouw te gebruiken en – kort gezegd – een natuurdoelpakket mogelijk te maken waarvoor subsidie wordt verleend.

Eiser tot cassatie heeft in deze procedure schadevergoeding gevorderd. In cassatie was nog slechts aan de orde de vergoeding voor begrote kosten van herstel van de grond in de oude toestand. Het hof had hierover in essentie overwogen dat “niet zonder meer aannemelijk was” dat voor eiser tot cassatie voldoende aanleiding bestond om de op zijn grond uitgevoerde werkzaamheden ongedaan te maken en dat hij in zoverre schade lijdt. Daartegen is eiser in cassatie met verschillende klachten opgekomen.

De eerste klacht luidde – samengevat – dat niet relevant is of aanleiding bestond voor ongedaanmaking van de verrichte werkzaamheden en of in zoverre schade was geleden. De onrechtmatigheid van de executie van het (rechtbank)vonnis staat vast. De herstelkosten moeten abstract worden berekend, er moet worden geabstraheerd van de vraag of concreet nadeel is komen vast te staan en dat nadeel behoeft eiser daarom niet aan te tonen. De Hoge Raad wijst dit van de hand:

“3.5 De klacht gaat kennelijk uit van de opvatting dat de rechter in een geval als het onderhavige de schade moet begroten, althans in beginsel moet begroten, op het bedrag van de kosten van herstel in de oude toestand, ook al hebben de onder dreiging van tenuitvoerlegging verrichte werkzaamheden de waarde of de exploitatiemogelijkheid van de grond niet aangetast. Die opvatting kan in haar algemeenheid niet worden aanvaard. In beginsel dient de schadevergoeding de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand te brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven, hetgeen meebrengt dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Als die vergelijking echter aan het licht brengt dat de nieuwe toestand voor de partij die schadevergoeding verlangt geen achteruitgang (waaronder mede te verstaan: waardevermindering en vermindering van exploitatiemogelijkheden van een haar toebehorende zaak) inhoudt ten opzichte van de oude, en die partij er geen rechtens te respecteren belang bij heeft dat de oude toestand wordt hersteld, kan de rechter zonder enige rechtsregel te schenden tot het oordeel komen dat er geen vermogensschade is geleden en op die grond de vordering tot vergoeding van de kosten van herstel in de oude toestand afwijzen. Dat geldt ook indien het gaat om een vordering tot vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatige dreiging met tenuitvoerlegging van een vonnis dat later in hoger beroep is vernietigd. De klacht faalt in zoverre.”

De tweede klacht hield in dat ’s hofs oordeel onjuist was omdat de schade moet worden berekend naar het moment van de verrichte werkzaamheden. Later opkomende omstandigheden waardoor voor eiser geen aanleiding of noodzaak meer bestaat het perceel in de oude staat terug te brengen zouden daarom niet ter zake doen. Ook deze klacht leidt niet tot cassatie; de Hoge Raad:

“3.7 (..) Dit betoog gaat terecht uit van het beginsel dat de omvang van de schade, die naar objectieve maatstaven wordt begroot, dient te worden berekend naar het moment waarop zij wordt geleden. Gebeurtenissen van later datum kunnen onder omstandigheden evenwel meebrengen dat van de getroffen eigenaar in redelijkheid kan worden verlangd dat hij zijn aanspraak beperkt. Voormeld beginsel laat bovendien onverlet dat uit gebeurtenissen van later datum soms gevolgtrekkingen kunnen worden gemaakt met betrekking tot de situatie die bestond op het tijdstip waarop de schade werd geleden. De blijkbaar aan de klacht ten grondslag liggende opvatting dat omstandigheden die zich na het lijden van de schade voordoen, nimmer van belang kunnen zijn bij de schadebegroting is dus onjuist, zodat de klacht ongegrond is”.

Verweerder is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur.

Share This