HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590

(i) In het vereiste van voldoende belang bij een verklaring voor recht als bedoeld in art. 3:303 BW ligt besloten dat het belang bij het instellen van een vordering evenredig moet zijn aan het belang van de wederpartij en dat van een behoorlijke rechtspleging. Dat voldoende belang bestaat bij een vordering mag in beginsel worden verondersteld. Dat geldt ook voor het belang van Dexia bij haar negatieve verklaring voor recht om een einde te maken aan onzekerheid.
(ii) Indien dat belang wordt betwist of de rechter ambtshalve opheldering wenst over dat belang, rusten de stelplicht en bewijslast ter zake in beginsel op degene die de vordering instelt.
(iii) Een partij kan ook recht hebben op vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor buitengerechtelijke werkzaamheden die zijn verricht met het oog op het verkrijgen van een hogere vergoeding dan waarop deze partij recht heeft.

Achtergrond

Centraal staat in deze zaak een door Dexia gevorderde verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de tussen haar en haar wederpartij gesloten effectenleaseovereenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan de wederpartij verschuldigd is. Het hof heeft deze vordering toegewezen. In cassatie is onder meer aan de orde of Dexia voldoende belang heeft bij haar vordering en welke eisen kunnen worden gesteld aan het verweer van de afnemer van het effectenleaseproduct dat hij meer te vorderen heeft van Dexia dan het bedrag dat Dexia op basis van het hofmodel heeft betaald. Voorts komt aan de orde of eiser tot cassatie recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor buitengerechtelijke werkzaamheden die zijn verricht met het oog op het verkrijgen van een hogere vergoeding dan waarop hij recht heeft.

Feiten en procesverloop

Tussen verweerder in cassatie, (de rechtsvoorganger van) Dexia, en eiser tot cassatie (hierna: eiser) is een effectenleaseovereenkomst gesloten die met een negatief saldo is geëindigd. De zogeheten Duisenberg-regeling voor deze effectenproducten is door het Hof Amsterdam op 25 januari 2007 op grond van de Wet collectieve afwikkeling massaschade algemeen verbindend verklaard. Eiser heeft door middel van een opt-out-verklaring aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn. De Hoge Raad heeft in HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 een oordeel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige, waaraan in de arresten van het Hof Amsterdam van 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983, feitelijk invulling is gegeven door de ontwikkeling van het zogenaamde ‘hofmodel’. Zie voor een achtergrond van de effectenleasezaken § 4.2-4.11 van de conclusie van A-G Wissink.

Dexia heeft aan eiser medegedeeld te zullen overgaan tot betaling aan hem van een schadevergoeding, berekend aan de hand van het hiervoor bedoelde hofmodel. Bij de berekening van de omvang van de schadevergoeding is Dexia ervan uitgegaan dat het aangaan van de effectenleaseovereenkomst voor eiser destijds geen onaanvaardbare financiële last vormde als bedoeld in de hiervoor genoemde rechtspraak, zodat geen (gedeeltelijke) vergoeding aan eiser van de door hem destijds betaalde inleg heeft plaatsgevonden. Uitsluitend een gedeelte van de restschuld is vergoed. Dexia heeft vervolgens eiser een brief gestuurd waarbij eiser de mogelijkheid is geboden om aan te tonen dat hij daarnaast nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien eiser zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon de bijgevoegde “waiver” worden ondertekend en geretourneerd. Dit heeft eiser niet gedaan.

Dexia vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de tussen haar en eiser gesloten effectenleaseovereenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan eiser verschuldigd is. Dit wordt aangeduid als een zogenaamde ‘negatieve verklaring voor recht’. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de door Dexia gevorderde verklaring voor recht alsnog uitgesproken. Het hof heeft daartoe overwogen dat Dexia (i) bij haar gevorderde verklaring voor recht voldoende belang heeft als bedoeld in art. 3:303 BW, (ii) van misbruik van bevoegdheid door Dexia geen sprake is, (iii) voor de toewijsbaarheid van de gevorderde verklaring voor recht beslissend is of eiser nog vorderingen op Dexia heeft, (iv) de vorderingen die eiser pretendeert te hebben op Dexia – wegens advisering door Dexia, buitengerechtelijke kosten, het hanteren van onjuiste afrekenkoersen en het niet aankopen van aandelen overeenkomstig de overeenkomst – alleen ongegrond zijn en (v) de gevorderde verklaring voor recht derhalve toewijsbaar is. In cassatie komt eiser op tegen dit oordeel.

Belang bij negatieve verklaring voor recht

Eiser betoogt dat het hof heeft miskend dat het door Dexia gestelde en door het hof in aanmerking genomen belang van Dexia dat zij, kort gezegd, haar boeken kan sluiten, niet opweegt tegen het ‘tegen-belang’ van eiser dat hij ontwikkelingen in de rechtspraak met betrekking tot effectenleasecontracten kan afwachten.

De Hoge Raad begint met een bespreking van de artikelen 3:302 BW en 3:303 BW. Art. 3:302 BW bepaalt dat de rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon omtrent die rechtsverhouding een verklaring voor recht uitspreekt. Op grond van art. 3:303 BW komt zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe. In dit vereiste van voldoende belang ligt volgens de Hoge Raad besloten dat het belang bij het instellen van een vordering evenredig moet zijn aan het belang van de wederpartij en dat van een behoorlijke rechtspleging. Dat voldoende belang bestaat bij een vordering mag in beginsel worden verondersteld. Indien dat belang wordt betwist of de rechter ambtshalve opheldering wenst over dat belang, rusten de stelplicht en bewijslast ter zake in beginsel op degene die de vordering instelt, aldus de Hoge Raad.

Het door het hof genoemde belang van Dexia om een einde te maken aan de onzekerheid over de vraag of eiser jegens haar nog vorderingen geldend kan maken, is volgens de Hoge Raad in beginsel een voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW voor de door Dexia gevorderde verklaring voor recht. Dat het hof het ‘tegen-belang’ van eiser om de ontwikkelingen in de rechtspraak te kunnen afwachten van onvoldoende gewicht heeft geacht om het belang van Dexia onvoldoende te oordelen, geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

“4.1.3 (…) Hierbij verdient opmerking dat, anders dan kennelijk aan het standpunt van [eiser] ten grondslag ligt, procespartijen er geen aanspraak op kunnen maken dat een procedure wordt uitgesteld of aangehouden tot in een andere (eventueel nog toekomstige) procedure het antwoord op een (mogelijke) rechtsvraag is gegeven. Die aanspraak zou te zeer afbreuk doen aan het mede in art. 6 EVRM gewaarborgde belang van de andere partij om binnen een redelijke termijn zekerheid te verkrijgen over de rechtsverhouding tussen partijen, terwijl bovendien het antwoord op de desbetreffende rechtsvraag ook in de procedure zelf kan en moet worden gegeven.”

Wel kan de rechter eventueel in het feit dat een andere procedure loopt waarin dezelfde rechtsvraag speelt, ambtshalve of desverzocht aanleiding vinden om de procedure aan te houden, waarbij de Hoge Raad wijst op HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, rov. 3.7.1, CB 2016-78. De rechter dient partijen daarover te horen en tot zijn oordeel te komen aan de hand van onder meer het voorschrift dat onredelijke vertraging van de procedure dient te worden voorkomen (art. 20 lid 1 Rv en art. 6 lid 1 EVRM), de belangen van partijen en de eisen van de proceseconomie.

Stelplicht en bewijslast bij negatieve verklaring voor recht

Eiser betoogt voorts dat het hof heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de stelling die ten grondslag ligt aan de gevorderde verklaring voor recht – dat Dexia aan al haar verplichtingen uit de effectenleaseovereenkomst jegens eiser heeft voldaan – op Dexia rusten.

De Hoge Raad stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de stelling die aan een gevorderde verklaring voor recht ten grondslag ligt, rusten op degene die de verklaring vordert. Deze regel heeft het hof volgens de Hoge Raad echter niet miskend.

“4.2.2 (…) Het heeft immers onderzocht of Dexia voldoende heeft gesteld en, waar nodig, aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan al haar verplichtingen uit de effectenleaseovereenkomst jegens [eiser] heeft voldaan. Het hof heeft dit terecht mede gedaan aan de hand van de betwistingen van die stelling door [eiser] , die daaruit bestaan dat [eiser] heeft aangevoerd op welke punten hij meent nog een vordering op Dexia te hebben. Het oordeel van het hof komt erop neer dat die betwistingen onvoldoende onderbouwd zijn.”

Buitengerechtelijke kosten

Eiser heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Hij heeft gesteld dat Dexia hem wel buitengerechtelijk een deel van zijn schade vergoedde, maar niets vergoedde voor de kosten die eiser maakte om Dexia zover te krijgen. Het hof heeft overwogen dat eiser geen aanspraak heeft op vergoeding van deze kosten, nu deze buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht met het oog op het verkrijgen van een hogere vergoeding dan waarop hij recht heeft. Eiser komt in cassatie op tegen dit oordeel.

De Hoge Raad stelt voorop dat in HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586, CB 2015-48 is overwogen dat voor vergoeding van de in art. 6:96 lid 2, onder b, BW bedoelde redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid volgens vaste rechtspraak is vereist dat: (a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten; (b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend; (c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en (d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn. Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is dus niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden.

Volgens de Hoge Raad bestaat geen grond om anders te oordelen over de kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld in art. 6:96 lid 2, onder c, BW:

“4.4.4 (…) Er zijn immers gevallen denkbaar waarin de benadeelde deze kosten als gevolg van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis maakt in de redelijke veronderstelling dat hem in verband daarmee een bepaalde vordering toekomt. Ook als dat nadien niet of slechts tot een lager bedrag het geval blijkt te zijn, is het redelijk en past het in het stelsel van afdeling 6.1.10 BW dat hij deze kosten vergoed krijgt van de aansprakelijke persoon, mits is voldaan aan de hiervoor in 4.4.3 genoemde eisen.”

Het hof heeft dus niet zonder meer kunnen oordelen dat eiser geen aanspraak heeft op vergoeding van kosten van buitengerechtelijke werkzaamheden voor zover deze zijn verricht met het oog op het verkrijgen van een hogere vergoeding dan waarop hij recht blijkt te hebben. Die aanspraak kan immers op grond van vorenstaande regels ook bestaan in dat geval.

De klacht van eiser kan evenwel niet tot cassatie leiden, nu Dexia zich in het voorwaardelijke incidentele beroep óók heeft gekeerd tegen het oordeel van het hof ter zake van de buitengerechtelijke kosten en óók deze klacht slaagt. Volgens de Hoge Raad heeft eiser onvoldoende gesteld ter onderbouwing van zijn aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en heeft het hof daarom niet kunnen oordelen dat eiser aanspraak heeft op vergoeding van die kosten:

“4.5.3 Deze klacht berust op het juiste uitgangspunt dat indien de door Leaseproces voor [eiser] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden niet meer behelzen dan het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken, zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven, de daarmee gemoeide kosten op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv in een procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dergelijke werkzaamheden moeten op een lijn worden gesteld met het opstellen en versturen van een aanmaning of een andere eenvoudige brief, zoals bedoeld in HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7004, rov. 3.5 en HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6164, rov. 5.3.2. Deze regel is niet alleen van toepassing in zaken waarin een afnemer jegens Dexia voldoening verlangt van een vordering die verband houdt met een tussen hen gesloten effectenleaseovereenkomst en in verband daarmee aanspraak maakt op vergoeding van kosten van buitengerechtelijke werkzaamheden, maar ook in zaken als de onderhavige waarin Dexia jegens een afnemer een verklaring voor recht vordert dat zij aan die afnemer niets meer verschuldigd is, ook niet op het punt van de kosten van buitengerechtelijke werkzaamheden. In beide gevallen wordt immers in rechte gestreden over de aanspraak of aanspraken van de afnemer jegens Dexia met het oog waarop de buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, zodat art. 6:96 lid 3 BW en art. 241 Rv van toepassing zijn.”

De Hoge Raad casseert.

Share This