Selecteer een pagina

HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3618

De verjaringstermijn van art. 7:942 lid 3 (oud) BW vangt pas aan nadat de verzekeraar de aanspraak op uitkering heeft afgewezen op de door art. 7:942 lid 2 (oud) BW voorgeschreven wijze.

De wettelijke regelingen

Tot 1 januari 2006 golden voor een (brand)verzekering als in deze zaak aan de orde geen bijzondere regels voor verjaring en stuiting. Dat betekende dat de algemene regels van Boek 3 BW van toepassing waren en dat betekende dus ook dat bij overeenkomst (polisvoorwaarden) van deze algemene regels kon worden afgeweken.

Het nieuwe verzekeringsrecht (titel 7.17 BW) trad op 1 januari 2006 in werking en bevatte bijzondere verjaringsregels in art. 7:942 BW. In afwijking van art. 3:307 lid 1 BW (vijf jaar in geval van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen) bedroeg de verjaringstermijn drie jaar (met een voor deze zaak niet relevante verbijzondering). Het tweede lid van dit artikel bepaalde dat de verjaring werd gestuit door een schriftelijke mededeling waarbij aanspraak werd gemaakt op een uitkering. Een nieuwe verjaringstermijn begon pas te lopen op de dag die volgde op de dag waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde gevolg. In het derde lid was bepaald dat in geval van afwijzing de rechtsvordering verjaart door verloop van zes maanden.

Art. 7:942 BW zoals hiervoor weergegeven is gewijzigd per 1 juli 2010. De termijn van zes maanden in het (oude) derde lid is vervallen. Ook na stuiting en afwijzing gaat een nieuwe termijn van drie jaar lopen. In verband met deze wijziging behoeft de afwijzing van de verzekeraar ook niet meer te geschieden bij aangetekende brief; een ondubbelzinnige mededeling volstaat.

De relevante feiten

Eiser tot cassatie had een brandverzekering voor zijn woning bij (de rechtsvoorganger van) Allianz. De polisvoorwaarden hielden onder meer in dat elk recht op schadevergoeding verjaart door verloop van drie jaren na de gebeurtenis.

Na een brand in eisers woning op 1 maart 2004 heeft Allianz bij brief van 13 mei 2004 dekking geweigerd in verband met haar stelling dat eiser de brand zelf had aangestoken. Eiser heeft dit bij brief van 23 september 2004 betwist en Allianz in de gelegenheid gesteld alsnog dekking onder de polis te verlenen. Dit heeft Allanz geweigerd bij brief van 1 december 2004. In 2005 is tussen Allianz en eiser gecorrespondeerd over de hoogte van de schade. Bij brief van 2 juli 2009 aan Allianz heeft eiser opnieuw aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade aan de woning.

De procedure

In deze procedure vordert eiser Allianz te veroordelen tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst door de schade te laten vaststellen conform de polisvoorwaarden en het aldus vastgestelde schadebedrag aan hem uit te keren, met rente en kosten.

De rechtbank Rotterdam heeft in een (tussen)vonnis geoordeeld dat de vordering van eiser niet is verjaard. De rechtbank constateerde dat art. 7:942 (oud) BW destijds onmiddellijke werking had, en dat Allianz geen afwijzingsbericht aan eiser heeft gestuurd zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel (aangetekende brief met ondubbelzinnige vermelding van zes maanden-termijn na afwijzing). Na de stuiting van de verjaring (voor 1 januari 2006) is daarom geen nieuwe verjaringstermijn gaan lopen. Anders dan Allianz had aangevoerd is hiermee van terugwerkende kracht of verplichting tot anticipatie door Allianz geen sprake. De per 1 januari 2006 bestaande situatie diende volgens de rechtbank – eenvoudigweg – naar de normen van art. 7:942 (oud) BW te worden beoordeeld. Op verzoek van Allianz heeft de rechtbank tegen dit tussenvonnis hoger beroep opengesteld.

Het hof Den Haag heeft het tussenvonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende eisers vordering afgewezen omdat, heel kort weergegeven, niet bleek van een relevante stuitingshandeling van eiser na 31 december 2005. Dit arrest houdt in cassatie geen stand.

Het oordeel van de Hoge Raad

Ook de Hoge Raad stelt vast dat art. 7:942 (oud) BW onmiddellijke werking heeft (ingevolge art. 68a lid 1 Overgangswet nieuw BW). Dat betekent dat vanaf 1 januari 2006 het nieuwe recht geldt ten aanzien van de aard, het aanvangstijdstip en de duur van de termijn. De verjaringstermijn van art. 7:942 lid 3 (oud) BW vangt pas aan nadat de verzekeraar de aanspraak op uitkering heeft afgewezen op de door art. 7:942 lid 2 (oud) BW voorgeschreven wijze. Het hof heeft echter niet vastgesteld dat Allianz de aanspraak op uitkering van eiser heeft afgewezen met inachtneming van art. 7:942 lid 2 (oud) BW. Zonder nadere motivering is volgens de Hoge Raad dan ook onbegrijpelijk hoe het hof tot het oordeel is gekomen dat de op 1 januari 2006 nog lopende verjaringstermijn – waarbij het hof volgens de Hoge Raad kennelijk het oog had op de contractuele verjaringstermijn van drie jaar, die is aangevangen nadat (naar in cassatie tot uitgangspunt dient) eiser op 16 maart 2005 volgens het destijds geldende recht een rechtsgeldige stuitingshandeling had verricht – was voltooid op een tijdstip gelegen vóór de datum waarop eiser op 2 juli 2009 opnieuw aanspraak maakte op vergoeding van de schade. De Hoge Raad voegt daaraan nog toe:

“3.4.3 Opmerking verdient dat in dit geval geen toepassing kan worden gegeven aan het in art. 72 lid 2 Ow NBW bepaalde met betrekking tot het eindigen van de nieuwe termijn – in dit geval de verjaringstermijn van zes maanden van art. 7:942 lid 3 (oud) BW – uiterlijk op het tijdstip waarop de vervangen termijn – in dit geval de (veronderstellenderwijs) op 16 maart 2005 aangevangen en op 1 januari 2006 nog lopende verjaringstermijn van drie jaar – zou zijn voltooid. Art. 72 lid 2 Ow NBW is immers slechts van toepassing in het in art. 72 lid 1 Ow NBW bedoelde geval dat de (nieuwe) wet de nieuwe termijn op korter dan een jaar stelt, en die termijn overeenkomstig het in de (nieuwe) wet bepaalde vóór het tijdstip van haar in werking treden zou aanvangen. Weliswaar is voldaan aan de voorwaarde dat de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 3 (oud) BW op korter dan een jaar is gesteld, maar nu het hof niet heeft vastgesteld dat Allianz de aanspraak op uitkering van [eiser] vóór 1 januari 2006 heeft afgewezen met inachtneming van het in art. 7:942 lid 2 (oud) BW bepaalde, is niet voldaan aan de voorwaarde dat de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 3 (oud) BW is aangevangen vóór het tijdstip waarop art. 7:942 (oud) BW in werking is getreden. Dit is het overgangsrecht dat blijkens de hiervoor [..] aangehaalde toelichting bij de totstandkoming van art. 7:942 (oud) BW is beoogd.”

Na deze eerste overwinning lijkt de koers voor eiser overigens nog niet gelopen, mede gelet op aanwijzingen van de Hoge Raad voor het hof Amsterdam, waarnaar hij de zaak verwijst:

“3.6 Na verwijzing zal alsnog moeten worden beslist op de door het hof (in rov. 8) in het midden gelaten stellingen van partijen met betrekking tot de vraag of het indienen van de offerte door [eiser] op 16 maart 2005 al dan niet als een stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 BW moet worden aangemerkt.

Zo nodig zal na verwijzing tevens moeten worden beslist op het betoog van Allianz dat art. 68a lid 1 Ow NBW, waaruit voortvloeit dat onmiddellijke werking toekomt aan art. 7:942 (oud) BW, buiten toepassing moet blijven op de in art. 75 Ow NBW bedoelde grond dat die onmiddellijke werking onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”

Share This