HR 12 april 2013, LJN BY8732

Wanneer een koopovereenkomst op grond van dwaling wordt vernietigd en het gekochte niet meer kan worden teruggegeven, geldt dat voor de hoogte van de schadevergoeding wordt uitgegaan van de waarde van het gekochte op het moment van de vernietiging van de overeenkomst en niet het moment van het sluiten van de overeenkomst. Dat kan tot gevolg hebben dat het gekochte, vanwege gedane reparaties na de koop maar vóór de vernietiging van de overeenkomst, meer waard is dan toen het werd gekocht.

De feiten

Op 19 mei 2006 heeft verweerster van eiser een auto gekocht voor € 10.000, waarbij zij een aanbetaling deed van € 1.000,-. Verweerster heeft vervolgens een aantal reparaties aan de auto laten verrichten, ten bedrage van € 1.372,69. Naar aanleiding van de daaropvolgende keuring kwam aan het licht dat er in 2003 met de kilometerstand van de auto geknoeid was. Daarop heeft verweerster bij brief van 25 september 2006 aan eiser laten weten dat zij de koop wegens geknoei met de kilometerstand ongedaan wilde maken. Voorts heeft zij in de brief geschreven dat zij, in aanmerking nemende dat eiser geen behoefte had om de auto terug te nemen, ervan uitgaat dat hij haar standpunt deelt dat de auto ten tijde van het aangaan van de koop ten hoogste
€ 2.000,- waard was. Op dezelfde dag of kort daarna heeft verweerster de auto voor € 2.275,- verkocht aan een garagebedrijf en een andere auto aangeschaft. Eiser heeft verweerster vervolgens gemaand tot betaling van de resterende € 9.000,- van de overeengekomen prijs.

Rechtbank en hof

De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerster de overeenkomst rechtsgeldig op grond van dwaling heeft vernietigd, maar gehouden is schadevergoeding te betalen omdat zij is tekortgeschoten in de verplichting de auto terug te geven. Het hof heeft, naar aanleiding van een deskundigenrapport, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De benoemde deskundige meende dat de auto op 19 mei 2006 zonder gebreken en met recent onderhoud € 5.250,- waard zou zijn. Daarvan zou moeten worden afgetrokken € 1.372,69, vanwege gemaakte kosten en voorts € 850,- in verband met nog uit te voeren reparaties en geknoei met de kilometerstand. De reële waarde van de auto op 19 mei 2006 was volgens de deskundige dus € 3.0126,31.

Eiser heeft in appel betoogd dat het onjuist zou zijn de gemaakte kosten van € 1.372,69 waardedrukkend te achten, nu het slechts zou gaan om werkzaamheden die bij een normale onderhoudsbeurt horen en niet om werkzaamheden tot herstel van gebreken. Het hof heeft dit betoog in rov. 4 verworpen:

“Nu gesteld nog gebleken is dat de werkzaamheden nodeloos zijn uitgevoerd, betekent dit dat vaststaat dat ten tijde van de koop geen sprake was van een auto “met recent onderhoud”. Het hof ziet daarom, mede gelet ook op de door de deskundige genoemde, onzekere, waardedrukkende, historie van de auto, geen aanleiding de deskundige op dit punt niet te volgen. Dit geldt ook voor de aftrek van € 850,00 voor nog uit te voeren reparaties en geknoei met de kilometerteller. Dit betekent dat het hof de door de deskundige genoemde waarde van de auto van € 3.027,31 tot uitgangspunt zal nemen. (…)”

Cassatie

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat de middelen die klagen dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerster op grond van art. 6:206 jo. 3:120 lid 2 BW recht heeft op vergoeding van de in juni en juli 2006 aan de auto gemaakte reparatiekosten, falen. Verweerster was er ten tijde van de reparaties immers nog niet van op de hoogte dat op haar een ongedaanmakingsverplichting zou komen te rusten (rov. 3.4.2).

Wel slagen de klachten die zich richten tegen de waarde die het hof aan de auto heeft toegekend:

“3.4.3 (…) De gehoudenheid tot schadevergoeding van [verweerster] is gegrond op het tekortschieten in de nakoming van haar verplichting de auto terug te geven. Die teruggave diende te geschieden in de staat waarin de auto zich bevond toen de koopovereenkomst werd vernietigd (op 25 september 2006). De deskundige heeft de in juni en juli 2006 door [verweerster] gemaakte reparatiekosten van € 1.372,69 tot dat volledige bedrag medebepalend geacht voor de waarde van de auto op 19 mei 2006. Dit laat geen andere uitleg toe dan dat de auto, die op 19 mei 2006 een waarde had van € 3.027,31, in juni en juli 2006 met een bedrag van € 1.372,69 in waarde is gestegen. Ofwel heeft het hof miskend dat de auto diende te worden teruggegeven in de staat waarin deze zich bevond op 26 september 2006, ofwel is onbegrijpelijk hoe het is gekomen tot het oordeel dat op die datum met de waardestijging in juni en juli 2006 geen enkele rekening meer behoefde te worden gehouden.”

De Hoge Raad doet de zaak zelf af. Het arrest van het hof ’s-Gravenhage wordt vernietigd en verweerster wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.027,31. Dat bedrag is opgebouwd uit € 4.400,- (waarde auto), verminderd met het bedrag van de aanbetaling (€ 1.000,-) en de reparatiekosten (€ 1.372,69).

Share This