HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:757

De enkele omstandigheid dat ouders voor hun op art. 6:169 lid 2 BW berustende aansprakelijkheid verzekerd zijn, brengt niet mee dat zij geen belang hebben bij een beoordeling van hun aansprakelijkheid voor de gedragingen van hun zoon.

Achtergrond

In deze zaak staat de aansprakelijkheid van ouders voor de onrechtmatige gedraging van hun veertienjarige zoon centraal. De zoon heeft een vijftienjarig kind neergestoken, ten gevolge waarvan het kind is overleden. De zoon is voor moord veroordeeld. De moeder van het overleden kind (verweerster in cassatie) heeft de ouders van de jongen (eisers tot cassatie) in zowel hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon (art. 1:245 lid 4 BW) als voor zich zelf (pro se) (art. 6:169 lid 2 BW) gedagvaard. Zij vordert onder meer vergoeding van haar materiele en immateriële schade.

De rechtbank heeft de ouders van de jongen in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger én pro se veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding. Daarop zijn de ouders in hoger beroep gegaan. In hun memorie van grieven wordt gesteld dat het in hoger beroep alleen gaat om hun aansprakelijkheid pro se. Hierbij dient te worden opgemerkt dat vaststaat dat de aansprakelijkheid pro se (art. 6:169 lid 2 BW) wordt gedekt door de verzekering. Voor de aansprakelijkheid van de ouders in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger (art. 1:245 lid 4 BW) biedt de verzekering, in verband met opzet van de zoon (art. 7:952 BW), geen dekking.

Naar het oordeel van het hof hebben de ouders geen belang bij hun vordering in hoger beroep. De aansprakelijkheidsverzekeraar heeft belang bij een afwijzing van de aansprakelijkheid van de ouders pro se, maar de ouders zelf niet, aldus het hof. Bij afwijzing van de aansprakelijkheid pro se kunnen de ouders immers geen beroep meer doen op de verzekering, terwijl zij voor de veroordeling in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger, die zij in hoger beroep niet hebben aangevochten, in zijn geheel geen beroep kunnen doen op hun verzekering. Het hof is dan ook van oordeel dat het financieel belang van eisers niet is gediend met deze vordering. Een immaterieel (of ander) belang bij de procedure is niet in de memorie van grieven gesteld en zonder nadere toelichting valt naar het oordeel van het hof niet in te zien welk immaterieel of ander belang de ouders bij de procedure hebben. Het hof heeft de ouders dan ook niet-ontvankelijk verklaard op grond dat zij daarbij geen belang hebben als bedoeld in art. 3:303 BW.

Cassatie

In cassatie klagen de ouders (onder meer) dat het hof heeft miskend dat het bij de beoordeling of zij belang hebben bij beantwoording van de vraag of zij pro se aansprakelijk zijn, niet van belang is of zij voor die eventuele aansprakelijkheid verzekerd zijn.

In navolging van de conclusie van A-G Wissink acht de Hoge Raad deze klacht gegrond. De Hoge Raad overweegt daartoe het volgende:

“De enkele omstandigheid dat [eiser] c.s. voor hun op art. 6:169 BW berustende aansprakelijkheid verzekerd zijn, brengt niet mee dat zij geen belang hebben bij een beoordeling van hun aansprakelijkheid voor de gedragingen van hun zoon. Het hof heeft geen (andere) omstandigheden vastgesteld waaruit volgt dat zij daarbij belang missen.”

De Hoge Raad vernietigt dan ook het arrest van het hof en verwijst hij het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This