Selecteer een pagina

HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1834

Aan de in art. I.3 en I.16 lid 1 van de Staatsregeling van Aruba opgenomen grondrechten komt als zodanig geen directe werking toe in verhoudingen tussen burgers onderling. Beperkingen van de uitoefening van deze grondrechten kunnen daarom in beginsel door partijen worden overeengekomen. De door partijen gesloten overeenkomst waarin de werknemer aan de werkgever toestemming geeft voor het uitvoeren van alcohol- en drugstesten, is dan ook verenigbaar met deze grondrechten.

Achtergrond

Een Arubaanse werknemer is met zijn werkgever overeengekomen dat de werkgever hem mag laten testen op het gebruik van alcohol of drugs. In deze arbeidszaak wordt in cassatie de vraag voorgelegd of dit verenigbaar is met de in de Staatsregeling van Aruba opgenomen grondrechten en in het bijzonder met de bepaling dat beperkingen van de desbetreffende grondrechten bij of krachtens de landsverordening wordt gesteld.

Het testen van werknemers op het gebruik van alcohol en drugs

De toelaatbaarheid van het testen van werknemers op het gebruik van alcohol en drugs is al lange tijd onderwerp van discussie. In de vakliteratuur zijn de meningen verdeeld. Tegenstanders ontlenen hun argumenten niet alleen aan de in sociaaleconomisch opzicht ongelijke verhouding tussen de werknemer en de werkgever, maar voeren ook bezwaren van publiekrechtelijke aard aan tegen deze testen. Deze bezwaren komen er, samengevat, op neer dat de testen in strijd zijn met het in art. 8 EVRM beschermde recht van de werknemer op privéleven en/of, naar Nederlands recht, in strijd zijn met art. 10 of art. 11 Grondwet of met andere wetten.

In deze zaak is ook zo’n bezwaar van publiekrechtelijke aard aan de orde gesteld. De werknemer heeft zich in deze procedure beroepen op art. I.16 en art. I.3 van de Staatsregeling van Aruba, welke grondrechten volgens hem rechtstreeks zijn in te roepen, ook in de ‘horizontale’ verhouding tussen hem en zijn werkgever. Het in deze constitutionele bepalingen opgenomen legaliteitsbeginsel zou vereisen dat beperkingen op deze grondrechten bij of krachtens een landsverordening zijn geregeld. Van een dergelijke beperking zou in casu geen sprake zijn.

De doorwerking van grondrechten in horizontale verhoudingen

A-G Langemeijer stelt in zijn conclusie voorop dat grondrechten zijn geschreven voor de (‘verticale’) verhouding tussen burgers en overheid. Hij wijst er op dat grondrechten wel op enigerlei wijze kunnen doorwerken in (‘horizontale’) privaatrechtelijke verhoudingen. In de theorie wordt een onderscheid gemaakt tussen directe werking van het grondrecht en indirecte werking. Bij directe werking wordt het grondrecht inclusief de beperkingsclausule rechtstreeks toegepast in privaatrechtelijke verhoudingen. Bij indirecte werking houdt de rechter bij de toepassing van open geformuleerde normen in het privaatrecht rekening met het in een grondrecht belichaamde belang of met de daaraan ten grondslag liggende waarden. Het grondrecht beïnvloedt dan de interpretatie van de privaatrechtelijke norm. Volgens de A-G wordt in de Nederlandse rechtspraak in ‘horizontale’ privaatrechtelijke verhoudingen doorgaans slechts indirecte werking toegekend aan (constitutionele) grondrechten, waaronder het recht op onaantastbaarheid van het lichaam en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Aan art. I.3 en art. I.16 lid 1 van de Staatsregeling komt geen directe werking toe

Dit is naar Arubaans recht niet anders. Na onder meer een bespreking van de Memorie van Toelichting op de Staatsregeling komt de A-G tot de conclusie dat ook naar Arubaans recht in de verhouding tussen een werknemer en een (niet tot de overheid behorende) werkgever geen directe, maar een indirecte werking van de in de Staatsregeling opgenomen grondrechten plaatsvindt. Er komt dus slechts indirecte werking toe aan de in art. I.3 en I.16 lid 1 van de Staatsregeling opgenomen grondrechten, waardoor een beperking van deze grondrechten niet bij of krachtens de landsverordening hoeft te geschieden. De Hoge Raad volgt deze conclusie van de A-G:

“3.2 Op de gronden zoals uiteengezet in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 2.21 tot en met 2.26, hebben de in art. I.3 en I.16 lid 1 van de Staatsregeling van Aruba opgenomen grondrechten als zodanig geen directe werking in verhoudingen tussen burgers onderling. De door het hof vastgestelde beperkingen van de uitoefening van deze grondrechten kunnen daarom in beginsel door partijen worden overeengekomen en behoeven dus, anders dan het middel betoogt, niet hun grondslag te vinden in een specifieke bepaling bij of krachtens een landsverordening. Het middel faalt.”

De Hoge Raad merkt nog wel op dat de (constitutionele) grondrechten wel kunnen doorwerken in een rechtsverhouding tussen burgers en dat het hof dit heeft onderkend.

Volgt verwerping.

Share This