Selecteer een pagina

HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:213

Indien een werknemer een werkgever ertoe beweegt een arbeidsovereenkomst tot stand te doen komen door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat hij verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep, is bedrog aanwezig en kan de werkgever zich beroepen op de (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst. Voor het slagen van dit beroep is niet vereist dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is geweest.

Achtergrond

Deze zaak gaat over de vraag of een werkgever de arbeidsovereenkomst mag vernietigen op de grond dat die overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedrog door de werknemer, en, zo ja, of voor die vernietigbaarheid moet zijn voldaan aan het – door het hof gestelde – extra vereiste dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is geweest.

Werknemer is bij aandeelhoudersbesluit benoemd tot (indirect) statutair bestuurder van werkgever. Werkgever heeft op enig moment een gesprek gevoerd met werknemer over diens functioneren en onjuistheden in zijn cv. Werknemer is vervolgens bij de algemene vergadering van aandeelhouders ontslagen als statutair bestuurder. Nadien is het werkgever duidelijk geworden dat werknemer veel (meer) onjuistheden heeft verstrekt. Werkgever heeft daarom besloten het aandeelhoudersbesluit van de benoeming en de arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk te vernietigen wegens bedrog.

Voor zover in cassatie van belang verzoekt werkgever om werknemer te veroordelen tot terugbetaling van het aan werknemer uitbetaalde nettoloon over de periode van januari 2017 tot en met mei 2017, omdat dit nettoloon – als gevolg van de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst – onverschuldigd is betaald aan werknemer. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat (i) het in beginsel gesloten stelsel van het ontslagrecht niet in de weg staat aan buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrog, maar dat (ii) de bescherming van de werknemer als zwakkere partij in het arbeidsrecht wel doorwerkt in het privaatrechtelijke leerstuk van de vernietiging, in die zin dat het hof als extra vereiste voor vernietiging hanteert dat de overeenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken, (iii) weliswaar sprake was van bedrog aan de zijde van werknemer bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst, echter (iv) niet vaststaat dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is geweest.

Werkgever klaagt in cassatie dat het hof aan de mogelijkheid om een arbeidsovereenkomst wegens bedrog buitengerechtelijk te vernietigen, ten onrechte als extra eis heeft gesteld dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken.

Arbeidsovereenkomst kan (buitengerechtelijk) worden vernietigd wegens bedrog

In de literatuur bestaat er in grote lijnen overeenstemming over dat vernietiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever wegens een wilsgebrek in beginsel mogelijk is, en dat dit op zichzelf geen strijd met het systeem of de strekking van het ontslagrecht oplevert. A-G De Bock wijst hier in haar conclusie op. De Hoge Raad oordeelt hiermee in lijn. Indien een werknemer een werkgever ertoe beweegt een arbeidsovereenkomst tot stand te doen komen door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat hij verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep, is bedrog aanwezig en kan de werkgever zich beroepen op de (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst, aldus de Hoge Raad. In een dergelijk geval beschermt art. 3:44 lid 3 in verbinding met lid 1 BW de werkgever tegen de gevolgen van de onredelijke invloed die de werknemer heeft uitgeoefend op de wil van de werkgever. Het wettelijk stelsel van het ontslagrecht staat daaraan volgens de Hoge Raad niet in de weg, omdat dat niet strekt tot bescherming van een werknemer die bedrog pleegt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst.

Daarbij merkt de Hoge Raad op dat a) de rechter ingevolge art. 3:53 lid 2 BW desgevraagd aan de vernietiging geheel of ten dele haar werking kan ontzeggen als de reeds ingetreden gevolgen van de arbeidsovereenkomst bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, en b) de in geval van vernietiging toepasselijke afdeling omtrent onverschuldigde betaling in Boek 6 BW ertoe strekt de wederzijdse verplichtingen tot ongedaanmaking van hetgeen onverschuldigd is betaald, toe te snijden op de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. De rechter kan dus maatwerk toepassen bij het bepalen van de gevolgen van vernietiging.

De Hoge Raad overweegt tot slot dat het vorenstaande onverlet laat dat een beroep van de werkgever op vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn (art. 6:248 lid 2 BW).

Niet is vereist dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken

In de literatuur is door een enkele auteur verdedigd dat buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst op grond van een wilsgebrek, alleen mogelijk is als de arbeidsovereenkomst geheel nutteloos blijkt na ontdekking van het wilsgebrek en indien door vernietiging geen opzegverboden worden omzeild. Daarmee is aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de toelaatbaarheid van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst. Deze benadering is in verschillende uitspraken van feitenrechters overgenomen. Zo ook door het hof in onderhavige zaak. De Hoge Raad wijst deze benadering echter van de hand:

“Uit art. 3:44 lid 3 BW volgt niet de eis dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken, zodat het kunnen slagen van een beroep op (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog daarvan niet afhankelijk mag worden gesteld. Indien de arbeidsovereenkomst voordeel heeft opgeleverd voor de werkgever, kan daarmee rekening worden gehouden bij de hiervoor in 3.2.1 bedoelde toepassing van art. 3:53 lid 2 BW en van de regeling vervat in de afdeling omtrent onverschuldigde betaling in Boek 6 BW.”

Dit oordeel is in lijn met de conclusie van de A-G. Zij wees er onder meer op dat de werknemer na vernietiging van de overeenkomst (wegens bedrog) op de voet van art. 6:210 lid 2 BW aanspraak kan maken op vergoeding van de waarde van de door hem verrichte arbeid, voor zover dit redelijk is. Op die manier kan tot een redelijke uitkomst worden gekomen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander hof.

Share This