HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18 (UWV/verweerder)

In die gevallen waarin het causaal verband tussen een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan en schade niet afhankelijk is van een nieuw besluit van dat bestuursorgaan, dient het bestaan van het causaal verband te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan zou hebben gehandeld of beslist indien het dat onrechtmatige besluit niet zou hebben genomen.

In de hier te bespreken zaak, vordert verweerder in cassatie een schadevergoeding van het UWV op grond van onrechtmatige overheidsdaad. Verweerder is door zijn voormalige werkgever namelijk ontslagen op basis van een ontslagvergunning die door het UWV is verleend zonder zorgvuldig onderzoek en zonder deugdelijke motivering. In cassatie staat met name de toe te passen causaliteitsmaatstaf centraal. Het hof heeft het bestaan van causaal verband tussen de onrechtmatige daad van het UWV en de door verweerder geleden schade beoordeeld aan de hand van de vraag wat het lot van de ontslagaanvraag zou zijn geweest als het UWV wél zorgvuldig onderzoek zou hebben gedaan en op basis daarvan een beslissing zou hebben genomen die de redelijkheidstoets kan doorstaan. Naar het oordeel van het hof zou het UWV de ontslagvergunning in dat geval hebben moeten weigeren, zodat het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van het UWV en de door verweerder geleden schade daarmee is gegeven.

In cassatie klaagt het UWV (onder meer) dat het hof heeft miskend dat causaal verband tussen een onrechtmatig bestuursbesluit en schade beoordeeld moet worden aan de hand van de maatstaf of ten tijde van het nemen van dat besluit een rechtmatig besluit had kunnen worden genomen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Is dat het geval, dan heeft het besluit geen schade veroorzaakt, zo wordt betoogd.

De Hoge Raad gaat daar echter niet in mee en stelt voorop dat het in deze zaak gaat om aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige daad voor een besluit van een bestuursorgaan dat ongunstig is voor degene die in verband daarmee schadevergoeding vordert. Van een dergelijk besluit staat ingevolge de Awb in de regel bezwaar en beroep open. Aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad kan in zo’n geval in beginsel slechts worden aangenomen na vernietiging, intrekking of herroeping van het besluit. Moet het bestuursorgaan daarna een nieuw besluit nemen, dan hangt het veelal van de inhoud van het nieuwe besluit af of het eerdere onrechtmatige besluit tot schade heeft geleid. Leidt het nieuwe besluit tot hetzelfde rechtsgevolg als het eerdere besluit (en werd de schade veroorzaakt door dit rechtsgevolg), dan zal dat niet het geval zijn.

De Hoge Raad zet vervolgens uiteen dat een en ander anders ligt indien het gaat om andere schade dan de schade die voortvloeit uit het rechtsgevolg van het besluit. De vergoedbaarheid van die schade is immers niet afhankelijk van een nieuw besluit. Over de toe te passen causaliteitsmaatstaf in een dergelijke situatie, overweegt de Hoge Raad:

“In de gevallen waarin het bestaan van causaal verband tussen een onrechtmatig besluit en schade niet overeenkomstig het hiervoor in 3.4.2 overwogene afhankelijk is van een nieuw besluit van het bestuursorgaan, dient het bestaan van dat verband te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen. Het causale verband als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW (het condicio sine qua non-verband), waar het hier om gaat, moet immers worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven. Er is geen grond om hierover anders te oordelen indien het gaat om een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112, NJ 2016/291 (Hengelo/Wevers), rov. 3.5.2).”

In het arrest Hengelo/Wevers waarnaar de Hoge Raad verwijst (CB 2016-107 besproken op Cassatieblog.nl), had de Hoge Raad ook al beslist dat in het geval een begunstigend besluit door de bestuursrechter (onherroepelijk) wordt vernietigd, de aanvrager op grond van onrechtmatige daad aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die hij daardoor lijdt, “mits het bestuursorgaan ook een begunstigend besluit zou hebben genomen indien het wel overeenkomstig de wet zou hebben beslist”. In de onderhavige zaak bevestigt de Hoge Raad dat arrest door uiteen te zetten dat bij de beantwoording van de vraag welke causaliteitsmaatstaf van toepassing is bij onrechtmatige bestuursbesluiten, onderscheid dient te worden gemaakt tussen die gevallen waarin de schade voortvloeit uit het rechtsgevolg van het besluit, en die gevallen waarin dat niet zo is.

Share This