HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:494

Toepassing van de dertigjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW ten aanzien van mesothelioomslachtoffers bij wie de ziekte zich pas na meer dan dertig jaar openbaart, levert in combinatie met de in het Van Hese/De Schelde-arrest (HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430) aanvaarde mogelijkheid om deze verjaringstermijn op grond van de beperkende werking van de redelijkheid buiten toepassing te laten, geen ontoelaatbare beperking van het recht op toegang tot de rechter uit art. 6 EVRM op.

Achtergrond van deze zaak

De heer Y heeft als stuurman gewerkt bij een rechtsvoorganger van Maersk. Tijdens zijn reizen is hij, voor het laatst in 1965, blootgesteld aan asbest. In 2010 – circa 45 jaar na de blootstelling aan asbest – is bij de heer Y de diagnose maligne mesothelioom gesteld, waaraan hij in datzelfde jaar is overleden. Zijn echtgenote en erfgenaam (hierna: mevrouw X) is vervolgens – circa twee jaar na constatering van de ziekte – een procedure gestart.

In dit geding vordert mevrouw X een verklaring voor recht omtrent de aansprakelijkheid van Maersk en een veroordeling van Maersk tot schadevergoeding. Maersk heeft zich daartegen onder meer verweerd met een beroep op de objectieve dertigjarige verjaringstermijn uit art. 3:310 lid 2 BW jo. art. 119b Overgangswet nieuw BW. Mevrouw X heeft daar onder meer tegenin gebracht dat deze verjaringstermijn in strijd is met art. 6 lid 1 EVRM. Gelet op het verborgen karakter van de schade kon de vordering immers niet binnen de verjaringstermijn worden ingesteld.

De kantonrechter heeft het beroep op verjaring gehonoreerd en de vorderingen afgewezen. Het hof heeft dit oordeel bekrachtigd. Mevrouw X heeft tegen de uitspraak van het hof cassatieberoep ingesteld.

Algemeen: verjaring en doorbrekingsmogelijkheid bij mesothelioom

Een rechtsvordering tot vergoeding van personenschade bij schadeveroorzakende gebeurtenissen van ná 1 februari 2004 verjaart door verloop van vijf jaren nadat de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (art. 3:310 lid 5 BW). Indien de asbestblootstelling vóór 1 februari 2004 heeft plaatsgevonden, geldt (daarentegen) een objectieve verjaringstermijn van dertig jaar, welke termijn aanvangt op de dag van blootstelling (art. 3:310 lid 2 BW jo. art. 119b Overgangswet nieuw BW). De ziekte mesothelioom, waarvan geen andere oorzaak bekend is dan blootstelling aan asbest, openbaart zich gemiddeld twintig tot veertig jaar na de blootstelling, binnen een bandbreedte van tien tot zestig jaar. Daarmee is denkbaar dat de ziekte zich pas na verstrijken van de verjaringstermijn openbaart.

 In 2000 had de Hoge Raad in het Van Hese/De Schelde-arrest geoordeeld dat de verjaringstermijn op grond van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing kan blijven wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken (de asbestblootstelling) inderdaad tot schade (de ziekte mesothelioom) zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij pas is ontstaan en kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn was verstreken. In het Van Hese/De Schelde-arrest overwoog de Hoge Raad in rov. 3.3.3:

“3.3.3 Of in gevallen als het onderhavige toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. Als gezichtspunten waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken, vallen te noemen:

(a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmede – of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;

(b)in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;

(c)de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;

(d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;

(e)of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;

(f)of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;

(g)of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.”

In het nadien in 2014 gewezen arrest Howald Moor c.s./Zwitserland (EHRM 11 maart 2014, ECLI:NL:XX:2014:126, NJ 2016/88) heeft het EHRM geoordeeld dat het recht op toegang tot de rechter uit art. 6 EVRM was geschonden in een zaak waarin een werkgever jegens een asbestslachtoffer een beroep deed op de in Zwitserland geldende verjaringstermijn van tien jaar.

Dit arrest heeft de vraag opgeworpen of het Nederlandse stelsel van een absolute verjaringstermijn in combinatie met de doorbrekingsmogelijkheid uit het Van Hese/De Schelde-arrest, het recht op toegang tot de rechter uit art. 6 EVRM voldoende waarborgt. Deze vraag komt in onderhavige cassatieprocedure aan de orde.

Cassatie

In cassatie wordt enerzijds geklaagd over de verwerping van het hof van het beroep op art. 6 EVRM en anderzijds over de weging van de gezichtspunten uit het Van Hese/De Schelde-arrest.

Dertigjarige verjaringstermijn in strijd met art. 6 EVRM?

Ten aanzien van art. 6 EVRM verwijst de Hoge Raad naar de doorbrekingsmogelijkheid uit het Van Hese/De Schelde-arrest, welk arrest de mogelijkheid biedt dat de dertigjarige verjaringstermijn op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing blijft. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat het recht een vordering in te stellen niet absoluut is en aan beperkingen onderhevig mag zijn. Een beperking mag echter niet het wezen van het recht op toegang tot de rechter aantasten en is niet verenigbaar met art. 6 lid 1 EVRM indien deze geen legitiem doel dient of niet proportioneel is aan dit nagestreefde doel.

 De Hoge Raad overweegt vervolgens dat het stelsel op grond waarvan mesothelioomslachtoffers afhankelijk van de omstandigheden van het geval het beroep op verjaring kunnen doorbreken ervoor zorgt dat sprake is van met art. 6 lid 1 EVRM verenigbare beperking van het recht op toegang tot de rechter. Het arrest Howald Moor c.s./Zwitserland geeft geen aanleiding deze beperking van het recht op toegang tot de rechter niet langer met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar te achten. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat de benadering uit het Van Hese/De Schelde-arrest strookt met de noodzaak dat in gevallen als de onderhavige steeds een afweging kan plaatsvinden tussen de belangen die voor de benadeelde en de aangesproken partij zijn gemoeid met rechtsbescherming en rechtszekerheid. Deze beperking tast volgens de Hoge Raad niet het wezen van het recht op toegang tot de rechter aan, dient een legitiem doel en is proportioneel daaraan.

Correcte weging gezichtspunten?

Mevrouw X bestrijdt voorts onder meer het oordeel van het hof dat aan gezichtspunt (a) geen gewicht toekomt ten gunste van doorbreking van de verjaring. Het hof had dit oordeel enkel onderbouwd met de vaststelling dat de kantonrechter evenmin gewicht aan dit gezichtspunt had toegekend ten gunste van doorbreking van de verjaring. In navolging van A-G Hartlief acht de Hoge Raad de klachten hierover gegrond, nu de kantonrechter juist had geoordeeld dat aan dit gezichtspunt wel gewicht toekomt ten gunste van doorbreking van de verjaring.

De Hoge Raad volgt de tot vernietiging en verwijzing strekkende conclusie van A-G Hartlief echter niet en oordeelt dat de gegrond bevonden klachten niet tot cassatie leiden. Volgens de Hoge Raad laten de gedingstukken geen andere conclusie toe dan dat het (slagen) van de klachten niet zal kunnen leiden tot een andere beslissing dan waartoe het hof is gekomen. Daartoe overweegt de Hoge Raad dat aan de gezichtspunten (c) – van een ernstig verwijt van Maersk bij het ontstaan van de schade is niet gebleken – en (e) – er zijn geen aanwijzingen dat (rechtsopvolger) Maersk nog beschikt over informatie waarmee zij zich tegen de vordering kan verweren – in dit geval zoveel meer gewicht toe komt dan aan de overige gezichtspunten, dat het beroep op art. 6:2 lid 2 BW niet kan slagen.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en maakt aldus duidelijk dat een beroep op verjaring in zaken van mesothelioom niet in strijd is met art. 6 EVRM.

Share This