Selecteer een pagina

Alle berichten van: Berend-Bram Heinen


HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:312

Het sluiten van een uitzendovereenkomst na drie opvolgende, tijdelijke arbeidsovereenkomsten, met als doel de uit de ketenregeling voortvloeiende bescherming te ontduiken, kan misbruik van de ketenregeling opleveren. Het oordeel van het hof dat (daarmee) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, houdt in cassatie stand.

(meer…)

HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2009

Een eiswijziging in hoger beroep hoeft volgens het Curaçaose procesrecht niet te worden getoetst aan de tweeconclusieregel. Of een eiswijziging in hoger beroep volgens het Curaçaose procesrecht is toegestaan, moet worden getoetst aan de eisen van een goede procesorde en de (overige) daarvoor geldende wettelijke bepalingen. (meer…)

HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:141

Er is pas sprake van een tekortkoming wegens niet tijdig presteren (ervan uitgaande dat nakoming nog mogelijk is), indien de schuldenaar in verzuim is. Nu de afgesproken leveringstermijn van 31 december 2011 niet als fatale termijn (als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder a, BW) kon worden aangemerkt en de koper (schuldenaar) niet in gebreke was gesteld door de verkoper, kon de koper het pand nog na die datum afnemen zonder dat hij als gevolg van ‘niet tijdig’ presteren in verzuim zou komen (en daarmee zou tekortschieten als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder c, BW). (meer…)

HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:213

Indien een werknemer een werkgever ertoe beweegt een arbeidsovereenkomst tot stand te doen komen door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat hij verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep, is bedrog aanwezig en kan de werkgever zich beroepen op de (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst. Voor het slagen van dit beroep is niet vereist dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is geweest. (meer…)

HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:114

Het oordeel van het hof over de passendheid en noodzakelijkheid van de aftoppingsregeling berust niet op een afweging in redelijkheid van de gestelde, ter zake dienende omstandigheden. Daarnaast heeft het hof de passendheid en noodzakelijkheid van de aftoppingsregeling in algemene zin beoordeeld en dus niet in het licht van alle met die regeling nagestreefde legitieme doelen. De Hoge Raad vernietigt. (meer…)