HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:983

Nu de testamentair bewindvoerder bevoegdelijk heeft bepaald dat de gekweekte rente over het onder bewind gestelde vermogen pas bij meerderjarigheid van de erfgenaam aan deze mag worden uitgekeerd, moet worden aangenomen dat ook de vader, die het ouderlijk vruchtgenot geniet, daarover gedurende het bewind niet kan beschikken.

Casus

Eiser tot cassatie en X hadden een langdurige relatie, waaruit in 2000 een zoon is geboren. In 2003 zijn de vader en moeder een geregistreerd partnerschap aangegaan, dat in 2004 door middel van een overeenkomst weer is beëindigd.

De moeder is in 2005 overleden; de vader heeft het gezag over de zoon. In haar testament heeft de moeder bepaald dat, ingeval het geregistreerd partnerschap ten tijde van haar overlijden beëindigd zou zijn, haar zoon haar enige erfgenaam is en dat over zijn erfdeel een testamentair bewind wordt ingesteld totdat hij 22 jaar is. De grootvader van moeders zijde is als bewindvoerder aangesteld.

Het erfdeel van de zoon omvat onder meer het merk Universol. Dit merk behoorde aan de door zijn ouders gezamenlijk gedreven onderneming in schoonmaakmiddelen. Op grond van een vaststellingsovereenkomst tussen de vader, de bewindvoerder en een inmiddels aangestelde vereffenaar van de nalatenschap behoort het merk toe aan de vader en de zoon gemeenschappelijk en heeft de zoon daarin een aandeel van 60% en de vader een aandeel van 40%. Ook werd overeengekomen dat het aan de zoon toekomende deel van de inkomsten in verband met het merk zouden worden gestort op een bankrekening met een zogenaamde BEM-clausule. Op grond van zo’n clausule kan de minderjarige rekeninghouder niet zonder toestemming van een ander (hier: de bewindvoerder) over het rekeningsaldo beschikken.

Gekweekte rente en ouderlijk vruchtgenot

De vereffenaar heeft de kantonrechter verzocht te bepalen dat de BEM-clausule blijft gelden totdat de zoon de leeftijd van 22 heeft bereikt en dat de gekweekte rente uit het onder bewind gestelde vermogen pas vanaf die leeftijd aan de zoon zal worden uitgekeerd, zodat de vader geen beroep kan doen op het vaderlijk vruchtgenot. De bewindvoerder is als belanghebbende in deze procedure gehoord. De kantonrechter heeft dit verzoek gehonoreerd. De vader, die door de kantonrechter niet gehoord is[1], heeft hoger beroep ingesteld.

In deze procedure staat de verhouding tussen het ouderlijk vruchtgenot (art. 1:253l BW) en de bevoegdheden van de testamentair bewindvoerder centraal. Op grond van art. 1:253l BW heeft elke ouder die het gezag over zijn kind uitoefent, het ouderlijk vruchtgenot van het vermogen van het minderjarige kind. Ingevolge art. 1:253m BW kan bij uiterste wilsbeschikking worden bepaald dat de achterblijvende ouder over het nagelaten vermogen geen ouderlijk vruchtgenot geniet.

In de procedure staat vast dat de moeder in haar testament het ouderlijk vruchtgenot van de vader niet heeft uitgesloten. Wel heeft zij de bewindvoerder (ex art. 4:171 BW) de bevoegdheid gegeven te bepalen of, en in welke mate de inkomsten uit het onder bewindgestelde vermogen aan de zoon ter beschikking zouden worden gesteld. Daarmee is de bewindvoerder de bevoegdheid gegeven om af te wijken van de hoofdregel (art. 4:162 BW) dat de vruchten over het onder bewind staande vermogen periodiek worden uitgekeerd. De bewindvoerder heeft uitvoering gegeven aan deze bevoegdheid door te bepalen dat de rente eerst bij de leeftijd van 22 jaar aan de zoon ter beschikking kan worden gesteld.

Oordeel hof

Het hof zag daarin grond om de beslissing van de kantonrechter te bekrachtigen. Het hof overwoog als volgt:

“Rov. 8 (…) In de uiterste wil (F onder 7) heeft de moeder, zoals bovenstaand weergegeven, de bewindvoerder de bevoegdheid gegeven te bepalen in welke mate inkomsten uit het onder bewind gestelde vermogen aan de eigenaar (de minderjarige) ter beschikking worden gesteld. Het hof constateert daarbij dat de moeder zich rekenschap heeft gegeven van de situatie die mogelijk zou intreden indien zij geen geregistreerd partnerschap zou hebben met de vader en de persoon van de bewindvoerder en de gezaghebbende ouder niet langer een en dezelfde zouden zijn.

Ingevolge deze, de bewindvoerder toekomende, bevoegdheid heeft deze bepaald dat de rente uit het onder bewind gestelde vermogen eerst bij het meerderjarig worden van de minderjarige aan hem zal worden uitgekeerd. De rente is dan ook nu niet opeisbaar. En dat betekent dat de vader, alhoewel hij het vruchtgenot heeft over het vermogen van de minderjarige, daar geen aanspraak op kan maken.”

Cassatie

De eerste cassatieklacht (A) van de vader bestrijdt de overweging van het hof dat de rente nu niet opeisbaar is. Betoogd wordt dat de rente weldegelijk opeisbaar is geworden, hetgeen volgt uit het feit dat de rente door de bank is bijgeschreven op de rekening (met BEM-clausule).

De achtergrond van deze klacht ligt in art. 3:9 lid 4 BW, dat bepaalt dat een burgerlijke vrucht (zoals rente op een geldsom) eerst een zelfstandig recht wordt door haar opeisbaar worden. In de formulering van het hof lijkt de bepaling van de bewindvoerder dat de zoon pas op 22 jarige leeftijd over (de rente over) het vermogen kan beschikken mede van invloed te zijn op het moment van opeisbaarheid van die rente en – via de band van art. 3:9 lid 4 BW – op de aanspraak uit hoofde van het ouderlijk vruchtgenot.

In zijn conclusie geeft A-G Langemeijer een andere interpretatie van het oordeel van het hof. Hij maakte onderscheid tussen de verschillende rechtsbetrekkingen: in de verhouding tussen de zoon en de bank geldt de rente wel als opeisbaar, maar deze vruchten zijn nog niet aan de zoon uitgekeerd in de zin van art. 4:162 BW.

“4.5 (…) De bestreden beslissing van het hof sluit hierbij aan: nu de testamentair bewindvoerder heeft bepaald dat de vruchten van de onder bewind gestelde nalatenschap eerst na het meerderjarig worden van de zoon aan hem ter beschikking worden gesteld, kan de vader zijn recht op ouderlijk vruchtgenot ten aanzien van deze bijgeschreven renten nu nog niet uitoefenen en kan het dictum van de kantonrechter dus in stand blijven. Kortom, voor het hof is niet doorslaggevend of de bijgeschreven renten in het vermogen van de zoon vallen – dat is van belang voor het antwoord op de vraag of de vader überhaupt aanspraak kan doen gelden op de bijgeschreven renten −, maar is doorslaggevend of de bijgeschreven renten door de testamentair bewindvoerder al zijn uitgekeerd aan de zoon zodat de zoon daarover vrij kan beschikken – hetgeen het hof van belang acht voor het antwoord op de vraag of de vader een aanspraak uit hoofde van een ouderlijk vruchtgenot kan uitoefenen vóórdat de zoon meerderjarig is geworden dan wel de vervangende toestemming van de kantonrechter is verkregen.”

Het oordeel van de Hoge Raad sluit hierbij aan:

“3.6.1 (…) Gebruikmakend van de hem bij testament verleende bevoegdheid (vgl. art. 4:171 lid 1 BW), heeft de bewindvoerder bepaald dat de gekweekte rente uit het onder bewind gestelde vermogen pas vanaf de leeftijd van 22 jaar aan de zoon mag worden uitgekeerd. Dat brengt mee dat deze rente, evenals het vermogen zelf, tot die tijd onder het verband van het bewind blijft rusten, zodat de zoon daarover nog niet kan beschikken. Daarom moet worden aangenomen dat ook de vader daarover niet op grond van het ouderlijk vruchtgenot kan beschikken (tenzij de kantonrechter hem daartoe toestemming zou geven).

3.6.2 Met het vorenoverwogene strookt dat het ouderlijk vruchtgenot de vader niet een op het onder bewind gestelde vermogen uit te oefenen vordering geeft. De vader heeft daarom niet een vordering – ter grootte van het saldo van de vruchten die het kind op zijn vermogen heeft genoten – die gedurende het bewind op het onder bewind gestelde vermogen kan worden uitgewonnen. Deze vordering correspondeert immers niet met een in art. 4:175 lid 1, aanhef en onder b, BW bedoelde schuld. Daaraan doet niet af dat de renteopbrengsten vanaf het moment van bijschrijving op de bankrekening hebben te gelden als burgerlijke vrucht – in de zin van art. 3:9 lid 2 BW – van het aan de zoon toekomende banksaldo.”

Kortom: de rente kwalificeert weliswaar vanaf het moment van bijschrijving op de bankrekening als burgerlijke vrucht (en valt dus onder het ouderlijk vruchtgenot), maar de vader kan deze vordering gedurende het bewind niet te gelde maken. Hem komt geen aanspraak toe op de bewindvoerder en een rechtstreekse aanspraak op de zoon wordt – tot diens 22 levensjaar – verhinderd, aangezien deze ingevolge het bewind niet over het banksaldo kan beschikken. Bij deze stand van zaken kan cassatieklacht A bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

In het verlengde hiervan strandt ook klacht B, waarin werd betoogd dat de bewindvoerder op grond van het testament niet de bevoegdheid heeft te bepalen dat de zoon de renteopbrengsten eerst bij meerderjarigheid kan opeisen, omdat deze bevoegdheid niet zou zijn te verenigen met het ouderlijk vruchtgenot van de vader. Die opvatting is onjuist, aldus de Hoge Raad in rov. 3.7. De Hoge Raad voegt hieraan toe dat door de aan bij testament verleende bevoegdheid om te bepalen of, en in welke mate, de inkomsten aan de zoon ter beschikking worden gesteld, de door art. 4:162 BW en 4:171 lid 1 BW aan de bevoegdheden van de bewindvoerder gestelde grenzen niet worden overschreden.

De vader is in cassatie bijgestaan door Ans van Duijvendijk-Brand. De zaak is in feitelijke instanties behandeld door Quirijn Meijnen.


[1] Dit gegeven heeft aanleiding gegeven voor een ontvankelijkheidverweer c.q. een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de zijde van de vereffenaar en de bewindvoerder. Deze verweren/klachten zijn door de Hoge Raad onbesproken gelaten bij gebrek aan belang (rov. 3.4).

Share This