Selecteer een pagina

HR 31 mei 2013, LJN CA1614 (X/Mr. Butin Bik q.q. c.s.)

De Hoge Raad ziet vooralsnog af van beantwoording van de door de rechtbank gestelde prejudiciële vraag of het vestigen van een pandrecht op een assurantieportefeuille rechtens mogelijk is. Nu de rechtbank enkele andere aangevoerde verweren nog niet heeft behandeld, is beantwoording van de gestelde vraag (nog) niet “nodig” om het geding te beslissen (art. 392 lid 1 Rv).

Eiseres tot cassatie heeft aan (de rechtsvoorgangster van) één van de verweerders in cassatie de aandelen in de vennootschap Duymel Assurantiën (hierna: Duymel) verkocht. Eiseres heeft daarbij het bedrag van de koopprijs geleend aan de verweerder. Bij wege van zekerheid voor de terugbetaling van het geleende bedrag, is een pandrecht gevestigd op alle assurantieportefeuilles die op 1 oktober 2008 aan Duymel toebehoorden.

In deze procedure, die wordt gevoerd door de curator van de inmiddels gefailleerde koper, gaat het om de vraag of het pandrecht op de assurantieportefeuilles rechtsgeldig is gevestigd. Een van de vragen die daarbij tussen partijen is gerezen, is de vraag óf op een assurantieportefeuille wel een pandrecht kan worden gevestigd: is een assurantieportefeuille te beschouwen als een vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW?

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 17 april 2013 (LJN BZ8347) deze vraag als prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd. In de hier besproken uitspraak beoordeelt de Hoge Raad – bij wijze van ‘voorvraag’ in de prejudiciële procedure – of de gestelde prejudiciële vraag in aanmerking komt voor beantwoording. De grondslag hiervoor is te vinden in art. 393 lid 1 en 8 Rv: de Hoge Raad kan, gehoord de Procureur-Generaal, aanstonds afzien van beantwoording van een gestelde vraag indien hij van oordeel is (i) dat de vraag zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing leent (ii) de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen.

Anders dan A-G Rank-Berenschot oordeelt de Hoge Raad dat de gestelde vraag (nog) niet in aanmerking komt voor beantwoording als prejudiciële vraag. De reden hiervoor is dat in de procedure bij de rechtbank ook nog enkele andere verweren zijn gevoerd. Dat is ten eerste het verweer dat de verpanding door Duymel van haar eigen assurantieportefeuille tot zekerheid van de koopprijs van haar aandelen, nietig is op grond van art. 2:207c BW, en ten tweede dat niet is gebleken van toestemming van de verzekeraar voor de verpanding. Indien een van deze verweren – die de rechtbank nog niet heeft behandeld – doel treft, doet de vraag of het vestigen van een pandrecht op een assurantieportefeuille rechtens mogelijk is, niet meer ter zake. Daarmee is, zo overweegt de Hoge Raad, beantwoording van de gestelde vraag (thans) niet “nodig” om het geding te beslissen, zoals door art. 392 lid 1 Rv wordt geëist.

Om deze reden ziet de Hoge Raad (op dit moment) af van beantwoording van de gestelde vraag: de rechtbank zal eerst de twee andere verweren over de rechtsgeldigheid van de verpanding moeten beoordelen. Daaraan voegt de Hoge Raad nog toe dat de gestelde vraag zo nodig op een later moment alsnog via de prejudiciële procedure aan de Hoge Raad kan worden voorgelegd: de vraag leent zich namelijk als zodanig wel voor beantwoording via die procedure, aldus de Hoge Raad.

De uitspraak van de Hoge Raad lijkt mee te brengen dat de feitenrechter die overweegt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen, eerst de andere relevante verweren moet beoordelen. Laat hij deze buiten behandeling (zoals in dit geval), dan staat immers nog niet vast dat beantwoording van de prejudiciële vraag werkelijk nodig is om het geding te beslissen, zoals door art. 392 lid 1 Rv wordt vereist.

De Hoge Raad geeft de rechtbank tot slot nog wel een aanwijzing mee over een van de verweren die nog ter beoordeling staat: met betrekking tot het beroep op art. 2:207c BW wijst hij erop dat deze bepaling per 1 oktober 2012 is vervallen. In verband met het overgangsrecht (in casu art. 81 van de Overgangswet NBW) zal de rechtbank daarom moeten beoordelen of de curator de nietigheid van de verpanding al vóór deze datum heeft ingeroepen.

Share This