HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:161.

Wanneer een periodiek verrekenbeding niet is uitgevoerd, moet bij echtscheiding alsnog worden verrekend. Het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend moest worden. Het afwijken van dit bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW moet worden gemotiveerd.

Op 8 februari 1996 zijn de partijen (‘de man’ en ‘de vrouw’) gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden was onder meer een periodiek verrekenbeding opgenomen. De overblijvende netto-inkomsten uit arbeid moesten jaarlijks worden verdeeld zodat elk daarvan de helft kreeg. In de praktijk blijft uitvoering van verrekenbedingen vaak achterwege, en ook hier is niet verrekend.

Bij een echtscheiding moet verrekening dan alsnog plaatsvinden op grond van art. 1:141 lid 1 BW. Deze verplichting tot verrekening strekt zich dan uit tot over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is en over de vruchten daarvan.

Op 29 juli 2009 is de echtscheiding uitgesproken. In deze procedure vorderde de man de helft van de overwaarde van de aan de vrouw in eigendom toebehorende woning. Partijen waren het erover eens dat voor zover met overgespaard inkomen de hypotheken zijn afgelost, deze aflossingen in de verrekening moeten worden opgenomen. De man had daarnaast gesteld dat de verbouwingen aan de woning ook zijn gefinancierd met overgespaard inkomen. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende heeft gesteld in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, en merkte daarom alleen de aflossingen op de hypotheek aan als investeringen in de woning.

In cassatie klaagt de man dat het hof met deze bewijslastverdeling het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW heeft miskend. Dit luidt, voor zover relevant, als volgt:

Indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, wordt het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

Nu door partijen niet was gesteld en door het hof niet was overwogen dat op dit uitgangspunt een uitzondering gemaakt moest worden, acht de Hoge Raad deze klacht gegrond. Volgt vernietiging en verwijzing.

Share This