HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637

Het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW ziet uitsluitend op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. Voor de vaststelling van de omvang van het te verrekenen vermogen op de peildatum gelden de gewone regels van stelplicht en bewijslast. Beschrijving van het te verrekenen vermogen hangende procedure terzake afwikkeling niet-uitgevoerd verrekenbeding. Miskenning devolutieve werking appel.

Indien in huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding is opgenomen waaraan tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven, dan wordt de periodieke verrekenplicht op de voet van artikel 1:141 lid 1 en 2 BW omgezet in een finale verrekenplicht.

De peildatum voor de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen wordt bepaald door artikel 1:142 BW (doorgaans: het tijdstip waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend).

Artikel 1:141 lid 3 BW bepaalt dat het op de peildatum aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

In de onderhavige zaak gaat het om de vraag, welke reikwijdte dit bewijsvermoeden heeft. Ziet het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW, behalve op de herkomst van overgespaarde inkomsten, ook op de omvang van het te verrekenen vermogen op de peildatum, zoals de appelrechter hier had aangenomen?

In het door de vrouw ingestelde cassatieberoep beantwoordt de Hoge Raad deze vraag, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9605, rov. 3.4.3, ontkennend.

In zijn uitspraak geeft de Hoge Raad een handzaam overzicht van de stelplicht- en bewijslast in het kader van de afwikkeling van een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding op de voet van artikel 1:141 BW. Daarbij betrekt het college tevens het bepaalde in artikel 1:143 BW, op grond waarvan de echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn om tot een beschrijving van het te verrekenen vermogen over te gaan, en geeft het een praktische regel voor een dergelijke vermogensbeschrijving hangende een procedure over de afwikkeling van het verrekenbeding.

Zie rov. 3.3.2:

“Op grond van art. 1:141 leden 1 en 2 BW wordt, kort gezegd, een tijdens het huwelijk niet nagekomen periodieke verrekenverplichting omgezet in een finale verrekenverplichting op het in art. 1:142 BW bepaalde tijdstip (de peildatum). In zodanig geval wordt op grond van art. 1:141 lid 3 BW het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (art. 1:141 lid 3 BW). Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden.

 

Zoals het hof terecht heeft overwogen (rov. 6.6.1), heeft het in art. 1:141 lid 3 BW omschreven bewijsvermoeden uitsluitend betrekking op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden (zie rov. 3.4.3 van HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9605). Ten aanzien van de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen op de peildatum gelden de gewone regels voor stelplicht en bewijslast. Dat brengt enerzijds mee dat de rechter daarop betrekking hebbende stellingen van de ene echtgenoot die door de andere echtgenoot niet of niet voldoende zijn betwist, in beginsel als vaststaand moet aannemen (art. 149 lid 2 Rv). Anderzijds dient een echtgenoot wiens stellingen met betrekking tot de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen voldoende betwist zijn, in beginsel de juistheid van zijn stellingen te bewijzen. In dit verband is echter van belang dat ingevolge de slotzin van art. 1:141 lid 3 BW in verbinding met art. 1:143 BW echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan. Aldus kan de verrekenvordering worden vastgesteld, waarbij zo nodig op grond van art. 1:143 lid 2 BW in verbinding met art. 679 Rv een deskundige kan worden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten.

 

Opmerking verdient dat de verzoeken tot beschrijving van het vermogen en tot het benoemen van een deskundige weliswaar volgens de zojuist genoemde bepalingen tot de kantonrechter moeten worden gericht, maar dat dit ook op verlangen van een der partijen kan worden bevolen door de rechter voor wie een geding op de voet van art. 1:141 BW aanhangig is (vgl. aldus art. 679 lid 2 Rv voor het geval van een geding over de verdeling van een gemeenschap).”

Het hof had overigens ook de devolutieve werking van het appel miskend.

Allereerst had het hof miskend dat de vrouw geen incidenteel beroep behoefde in te stellen tegen bepaalde beslissingen van de rechtbank, aangezien deze beslissingen in eerste aanleg niet hadden geleid tot een voor de vrouw nadelig dictum. Zie rov. 3.5 van het arrest van de Hoge Raad.

Daarnaast had het hof miskend dat het bepaalde stellingen van de vrouw, die door de rechtbank niet waren behandeld, wegens het gegrond bevinden van grieven van de man alsnog in zijn beoordeling had moeten betrekken. Zie rov. 3.7 van het arrest van de Hoge Raad.

Volgt vernietiging en verwijzing.

Share This