Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Verknochtheid ontslagvergoeding bij ontbinding huwelijksgemeenschap

CB 2018-44 Geplaatst op 01 maart 2018 door

HR 23 februari 2018 ECLI:NL:HR:2018:270

Bij de beantwoording van de vraag of de aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, moet onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en na ontbinding. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap. Dat geldt ook indien de ontslagvergoeding is uitbetaald in de vorm van een bedrag en niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering of is ondergebracht in een stamrecht BV.

Feiten

Partijen zijn op 3 oktober 1986 gehuwd in gemeenschap van goederen. De man heeft ontslagvergoedingen ontvangen van Tele Atlas en TomTom. De ontslagvergoeding van Tele Atlas heeft de man ondergebracht in een stamrecht BV. Een stamrecht BV is te vergelijken met een lijfrenteverzekering, de afdracht van de belasting werd als het ware uitgesteld. Per 1 januari 2014 is het oprichten van een stamrecht BV niet meer mogelijk. De rechtbank heeft bij beschikking op 2 juli 2013 echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Over de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft de rechtbank vastgesteld dat een door de man ontvangen ontslagvergoeding van TomTom niet aan hem is verknocht en door partijen bij helfte dient te worden gedeeld. De stamrechtvoorziening is wel aan de man verknocht.

In het principale cassatieberoep komt de vrouw op tegen het oordeel van het hof (weergegeven in 3.2.3) dat de aanspraak van de man op zijn stamrecht BV als aan de man verknocht moet worden beschouwd. In het incidentele cassatieberoep komt de man op tegen het oordeel van het hof (weergegeven in 3.2.3) dat de ontslagvergoeding van TomTom niet verknocht is aan de man.

Wet en vaste jurisprudentie

Art. 1:94 lid 3 (oud) BW is in dit geding nog van toepassing. Bij de op 1 januari 2018 in werking getreden wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is deze regeling omtrent verknochtheid ongewijzigd opgenomen. Dit arrest is dus ook relevant voor het huidige art. 1:94 lid 3 BW. Art. 1:94 lid 3 BW bepaalt dat goederen en schulden die aan een der echtgenoten op bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

Eerst stelt de Hoge Raad voorop dat voor het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet het goed of de schuld in de gemeenschap valt afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed of de schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. (Vgl. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141, en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292, zie CB 2016-114).

Oordeel Hoge Raad in het principale beroep

Oudedagsvoorziening of niet?

In het principale beroep voert de vrouw aan dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling dat de ontslagvergoeding altijd bedoeld zou zijn geweest als oudedagsvoorziening.

4.2.2 “Deze klacht slaagt. Zoals kan worden afgeleid uit HR 26 september 2008, CLI:NL:HR:2008:BF2295, NJ 2009/40, dient de aanspraak uit hoofde van de stamrechtovereenkomst zelfstandig – dus los van de ontslagvergoeding waaruit deze aanspraak is gefinancierd – op verknochtheid te worden beoordeeld.

 Uit de door het hof aangehaalde (hiervoor in 3.2.3 weergegeven) passage uit de stamrechtovereenkomst blijkt dat deze onder meer voorziet in periodieke uitkeringen nadat de man de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.6 is overwogen, had het hof de stelling van de vrouw dat de ontslagvergoeding en/of de aanspraken uit hoofde van de stamrechtovereenkomst altijd bedoeld zijn geweest als oudedagsvoorziening, niet onbehandeld mogen laten. Indien die stelling juist is, zou dat immers tot het oordeel kunnen leiden dat de aanspraak van de man uit hoofde van de stamrechtovereenkomst in de gemeenschap valt.

Indien een aanspraak ertoe strekt te voorzien in inkomen na pensionering (‘oudedagsvoorziening’) valt de ontslagvergoeding wel in de gemeenschap. Art. 1:94 lid 2 BW is dan niet van toepassing. Dergelijke pensioenaanspraken verschillen van aanspraken ter vervanging van inkomen, omdat zij voor zover zij zijn opgebouwd tijdens het huwelijk, in beginsel mede tot verzorging van de andere echtgenoot dienen.

Aanspraak op periode voor of na ontbinding?

Verder wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat het hof had moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak jegens de stamrecht-BV ziet op de periode vóór respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap.

4.2.4

Ook deze klacht slaagt. Uitgaande van zijn oordeel dat de aanspraak van de man op de stamrecht-B.V. strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid, had het hof moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak ziet op de periode vóór respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (zie hiervoor in 4.1.4). Anders dan de man in cassatie aanvoert, kon het hof deze beoordeling niet achterwege laten op de grond dat de vrouw niet met zoveel woorden subsidiair heeft bepleit dat de aanspraak tenminste gedeeltelijk in de gemeenschap valt.

Ook een aan een van de echtgenoten verstrekte (aanspraak op) ontslagvergoeding kan verknocht zijn indien deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. In een zodanig geval moet bij de beantwoording van de vraag of deze aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. (Zie ook eerdere uitspraken: HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41 en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292).

Oordeel Hoge Raad in het incidentele beroep

De man komt in het incidentele beroep op tegen het oordeel van het hof in rov. 3.9.2 dat de door de man van TomTom ontvangen ontslagvergoeding niet verknocht is, nu het daarmee gemoeide geldbedrag niet is ondergebracht in een stamrechtverzekering. De Hoge Raad oordeelt als volgt:

4.3.3

Deze klacht slaagt. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1.5 is overwogen, volgt dat, ook als een ontslagvergoeding in de vorm van een geldbedrag ineens is ontvangen en dit bedrag niet wordt aangewend voor de aankoop van een stamrecht(verzekering), sprake kan zijn van verknochtheid in de zin van art. 1:94 lid 3 (oud) BW.

Het uitgangspunt, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode voor en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, geldt ook indien een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering, noch is ondergebracht in een stamrecht BV. Anders dan kan worden afgeleid uit HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640, bestaat er onvoldoende grond om te oordelen dat de vergoeding dan geheel in de gemeenschap valt, ook voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten.

Overige klachten

De overige twee (motiverings)klachten in het incidentele beroep slagen ook (zie 4.3.4-4.3.7). In het principale beroep oordeelt de Hoge Raad nog over de klacht tegen de beslissing van het hof over de verdeling van de inboedel (5.2.1 e.v.). Volgens de vrouw is het hof ten onrechte niet ingegaan op de stelling van de vrouw dat bepaalde inboedelzaken aan haar verknocht zijn.

De vrouw heeft in appel, bij de inboedelverzekering, betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met verknochtheid en het persoonlijke karakter van bepaalde goederen. De vrouw heeft lijsten overgelegd, waaronder ‘persoonlijke spullen’ en een aantal inboedelgoederen die als ‘verknocht’ zijn aangeduid. Hierbij gaat het blijkens de toelichting vooral om inboedelgoederen die aan de vrouw geschonken zijn. Het hof heeft de inboedelgoederen die de vrouw wenste slechts ten dele aan haar toegedeeld. Het hof heeft in dit verband overwogen dat de inboedel voor het overige niet van enige waarde is, althans dat partijen daarover te weinig hebben gesteld en onderbouwd en dat partijen ieder beschikken over een volledig ingerichte woning. De Hoge Raad oordeelt als volgt:

5.2.4

Aldus heeft het hof zijn oordeel in het licht van de hiervoor in 5.2.2 weergegeven stellingen van de vrouw ontoereikend gemotiveerd. Dat de desbetreffende inboedelgoederen niet van enige waarde zijn en dat de vrouw beschikt over een volledig ingerichte woning, laat immers onverlet dat bepaalde inboedelgoederen voor de vrouw van bijzondere betekenis kunnen zijn en dat zij dus belang kan hebben bij toedeling van deze inboedelgoederen. In het onderdeel liggen mede hierop gerichte klachten besloten, zodat het in zoverre slaagt.

De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden (art 81 lid 1 RO). De Hoge Raad vernietigt de twee beschikkingen van het hof en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing.

Tot slot

De beschikking van de Hoge Raad biedt een overzichtelijk kader van de stand van de rechtspraak ten aanzien van verknochtheid bij ontslagvergoedingen bij ontbinding van een huwelijksgemeenschap (artikel 1:94 lid 2 en 3 BW):

(i) De aanspraak op ontslagvergoeding uit hoofde van een stamrechtovereenkomst dient zelfstandig – dus van de ontslagvergoeding waaruit deze aanspraak is gefinancierd – op verknochtheid te worden beoordeeld.
(ii) Indien de aanspraak ertoe strekt te voorzien in inkomen na pensionering valt de ontslagvergoeding in de gemeenschap.
(iii) Bij de beantwoording van de vraag of de aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, moet onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en na ontbinding. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap.
(iv) Dat geldt ook indien de ontslagvergoeding is uitbetaald in de vorm van een bedrag en niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering of is ondergebracht in een stamrecht BV.

email print