HR 12 oktober 2012, LJN BX5884

Als een alimentatieplichtige failliet is verklaard en op die grond verzoekt het bedrag van de alimentatieplicht op nihil vast te stellen dient de rechter, behoudens bijzondere omstandigheden, ervan uit te gaan dat de alimentatieplichtige niet over de draagkracht beschikt om enige onderhoudsbijdrage te betalen en dus het verzoek toe te wijzen. De alimentatierechter heeft niet de vrijheid om vooruit te lopen op de aan de rechter-commissaris voorbehouden afweging of, en zo ja in welke mate, het passend is om gebruik te maken van diens in art. 21, aanhef en onder 2, Fw bedoelde discretionaire bevoegdheid.

Feiten en procesverloop

In deze zaak is de alimentatieplichtige (hierna: de man) in staat van faillissement verklaard in het jaar 2009. Mede om die reden heeft hij een wijzigingsverzoek ingediend. De rechtbank heeft in haar beschikking de alimentatieverplichting van de man jegens zijn zoon op nihil gesteld met als ingangsdatum de dag waarop de man in staat van faillissement is verklaard.

De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Anders dan de rechtbank heeft het hof het redelijk geacht om uit te gaan van een zodanige verdiencapaciteit, dat de man in staat is om de door de rechtbank in 2001 bepaalde kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige (zoon) te voldoen. Het enkele feit dat de man in staat van faillissement is verklaard, doet volgens het hof aan zijn inspanningsverplichting om inkomen te verwerven – gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarige – op zichzelf niet af. De man heeft tegen deze beschikking cassatieberoep ingesteld.

Het oordeel van de Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad moet het oordeel van het hof aldus worden verstaan dat de man, bij een redelijkerwijs van hem te verwachten inspanning, zich een zodanig inkomen kan verwerven dat de rechter-commissaris in het faillissement van de man op de voet van art. 21, aanhef en onder 2, Fw zal bepalen dat een zodanig bedrag buiten het faillissement blijft dat de man daardoor in staat is om de door de rechtbank bepaalde kinderalimentatie ten behoeve van de zoon te voldoen.

De door de man tegen dit oordeel gerichte cassatieklachten slagen. Volgens de Hoge Raad moet in geval van faillissement van de alimentatieplichtige een verzoek tot nihilstelling in beginsel worden toegewezen. Nu in casu vaststaat dat de man geen inkomsten heeft, is er ook geen grond voor het maken van een uitzondering op deze regel:

“3.4.3 (…) Als een alimentatieplichtige failliet is verklaard en op die grond verzoekt het bedrag van de alimentatieplicht op nihil vast te stellen dient de rechter, behoudens bijzondere omstandigheden, ervan uit te gaan dat de alimentatieplichtige niet over de draagkracht beschikt om enige onderhoudsbijdrage te betalen, en dus het verzoek toe te wijzen (vgl. ten aanzien van de schuldsanering HR 14 november 2008, LJN BD7589, NJ 2009/52). Verwerft de schuldenaar zich tijdens het faillissement inkomsten, dan kan de rechter-commissaris gebruik maken van zijn in art. 21, aanhef en onder 2, Fw bedoelde discretionaire bevoegdheid. In het onderhavige geval staat echter vast dat de vader geen inkomsten heeft, zodat de grondslag ontbreekt voor toepassing van deze bevoegdheid. Van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld is dus geen sprake, zodat het oordeel van het hof onjuist is en het onderdeel doel treft.”

Het hof heeft volgens de Hoge Raad voorts miskend dat de rechter die heeft te oordelen over het verzoek tot nihilstelling van een alimentatieverplichting wegens het faillissement van de schuldenaar (indien de schuldenaar inkomsten heeft), niet de vrijheid heeft vooruit te lopen op de aan de rechter-commissaris voorbehouden afweging of, en zo ja in welke mate, het passend is om gebruik te maken van diens vorenbedoelde discretionaire bevoegdheid. De Hoge Raad verwijst in dit verband naar HR 18 november 2011, LJN BU4937, NJ 2012,127 (eerder hier besproken op Cassatieblog) en HR 21 september 2012, LJN BW9247. Bovendien is de Hoge Raad van oordeel dat – evenals in het geval dat ten aanzien van de schuldenaar de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken (verwezen wordt naar de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad van 18 november 2011) – in het geval van een faillietverklaring niet bedoeld is om de schuldenaar in staat te stellen aan zijn alimentatieverplichtingen te voldoen (rov. 3.4.4).

Draagkracht om alimentatie te voldoen; de schuldsaneringsregeling

De hiervoor besproken uitspraak is ook in lijn met een (door de Hoge Raad in rov. 3.4.3 genoemde) eerdere uitspraak, waarin is geoordeeld dat een saniet behoudens bijzondere omstandigheden niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen gedurende de tijd waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is (HR 14 november 2008, LJN BD7589, NJ 2009/52). Een saniet kan – zo heeft de Hoge Raad geoordeeld – gedurende die tijd immers slechts beschikken over het door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag en dat bedrag is onder het bijstandsniveau gelegen. Dit zou volgens de Hoge Raad anders kunnen zijn indien de rechter-commissaris op de voet van art. 295 lid 3 Fw het vrij te laten bedrag anders heeft bepaald.

Share This