Diverse rechtbanken en hoven hebben in de afgelopen maanden gebruik gemaakt van de mogelijkheid om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Het overzicht van de Hoge Raad van lopende zaken vermeldt zeven aanhangige procedures. Twee daarvan zijn eerder op cassatieblog vermeld (CB 2014-145 en CB 2014-149) De andere vijf vragen bestrijken vragen op het terrein van contractuele incassokosten, collectieve stuitingshandelingen, bemiddelingskosten bij verhuur, de omzetting van faillissement in schuldsanering en de status van de regresvordering van de borg in faillissement.

Contractuele incassokosten in “Business-to-business”-relatie

Het Gerechtshof Den Bosch heeft bij uitspraak van 3 februari 2015 vragen voorgelegd gecontracteerde incassokosten in een “B2B”-relatie. De vragen zien op het begrip “kosten” in art. 6:44 BW en de rechterlijke bevoegdheid om te matigen (art. 242 Rv).

Architectural Projects Nederland heeft bouwmaterialen verkocht aan geïntimeerde en heeft daarvoor meerdere facturen aan geïntimeerde verzonden. Vijf van deze facturen zijn onbetaald  gebleven. Uiteindelijk heeft geïntimeerde, na enkele maatregelen ter incasso van het openstaande bedrag van € 24.821,73, eerst een bedrag van € 15.525,49 voldaan en een paar weken laten nog een bedrag van € 8.000,-. Aan nadere sommaties tot voldoening van het resterende bedrag is niet voldaan, waarna Architectural Projects een vordering in rechte heeft ingesteld.

De prejudiciële vragen hebben betrekking op de door Architectural Projects gevorderde contractueel overeengekomen incassokosten. De eerste vraag ziet op de toepasselijkheid van art. 6:44 BW, waarin is bepaald dat betaling van een geldsom eerst op “de kosten” in mindering komt, vervolgens op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom en lopende rente. Het hof legt de vraag voor of buitengerechtelijke incassokosten onder dit begrip “kosten” vallen.

Verder stelt het hof enkele vragen over de rechterlijke matigingsbevoegdheid, mede tegen de achtergrond van (de implementatie van) de richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (Richtlijn 2011/7/EU). Is met deze richtlijn verenigbaar dat de buitengerechtelijke kosten ambtshalve worden gematigd tot de wettelijke staffel die voor consumenten geldt, indien niet wordt aangetoond dat de werkelijke kosten hoger zijn dat het staffel-bedrag? En is ‘het in de branche gebruikelijke incasso percentage’ relevant voor de door de rechter toe te passen matiging? Maakt het verder nog verschil of de schuldenaar dit gebruikelijke percentage zelf ook hanteert in verhouding tot zijn schuldenaren? En, tot slot, wat is de invloed van de omstandigheid dat de schuldeiser op zijn beurt met zijn rechtsbijstandverlener heeft afgesproken dat hij het contractuele incassopercentage aan de rechtsbijstandverlener is verschuldigd?

Collectieve stuiting – the sequel

Bij arrest van 28 maart 2014 oordeelde de Hoge Raad – eveneens naar aanleiding van een prejudiciële vraag – dat een 3:305a BW-rechtspersoon via een stuitingsbrief (art. 3:317 BW) de verjaring kan stuiten van vorderingen van de belanghebbenden voor wie hij opkomt (zie CB 2014-68).

Bij arrest van 20 januari 2015 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een Dexia-zaak enkele nieuwe vragen gesteld over stuitingshandelingen door een 3:305a BW-rechtspersoon. De eerste vraag is of de stuitende werking van een collectieve vordering ex art. 3:316 BW zich ook uitstrekt tot de verjaring van de buitengerechtelijke bevoegdheid tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW. Zo ja, leidt dan een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van vóór het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken tot hetzelfde rechtsgevolg als het instellen van een nieuwe eis in de zin van die bepaling?

Ingangsdatum wettelijke rente bij effectenlease

Eerder, bij arrest van 9 september 2014, werd in een andere Dexia-zaak ook al een prejudiciële vraag gesteld. De vraag zag op de ingangsdatum van de verschuldigde wettelijke rente bij aansprakelijkheid in het kader van effectenlease. De achtergronden daarvan werden besproken op dit blog (CB 2014-145). Opvallend is dat het hof in een latere uitspraak tot de conclusie is gekomen dat het doelmatiger is om – tussentijds – regulier cassatieberoep open te stellen tegen het arrest van 17 juni 2014, waarin – naast het voornemen tot de prejudiciële vraagstelling – ook andere geschilpunten aan de orde waren. De prejudiciële vraag staat nog wel op de lijst van lopende zaken. Als inderdaad tussentijds cassatieberoep is ingesteld, dan worden in deze zaak gelijktijdig twee processuele routes naar de Hoge Raad bewandeld. Dat kan aanleiding zijn voor interessante inzichten over de samenloop van beide rechtsgangen.

Dubbele bemiddelingskosten

In een verzetprocedure heeft de kantonrechter te Den Haag een prejudiciële vraag op het terrein van het huurrecht voorgelegd. Opposant is huurbemiddelaar Duinzigt. Zij heeft van geöpposeerde, de huurder, een bedrag van € 867,50 betaald gekregen voor bemiddelingskosten (courtage). De huurder heeft dit bedrag in rechte teruggevorderd, onder meer stellende dat Duinzigt hierop geen aanspraak kan maken, gelet op het bepaalde in art. 7:417 lid 4 BW. Deze bepaling beoogt ‘dubbele bemiddelingskosten’ voor huurders te voorkomen, door te bepalen dat de lasthebber of (via art. 7:427 BW) de bemiddelaar jegens de consument-huurder geen aanspraak heeft op loon .

Nadat de vordering van de huurder bij verstek werd toegewezen, tracht Duinzigt in verzet het tij te keren. Zij vraagt aandacht voor de omstandigheid dat zij met de verhuurder niets anders is overeengekomen dan dat deze de verhuurbare woonruimte op de website van Duinzigt mag presenteren en dat de verhuurder hiervoor geen vergoeding aan de huurbemiddelaar verschuldigd is. De vraag die nu aan de Hoge Raad wordt gesteld is of een dergelijke overeenkomst tussen de verhuurder en de huurbemiddelaar kwalificeert als een lastgevingsovereenkomst en/of een bemiddelingsovereenkomst, in welk geval de huurder, gelet op art. 7:417 lid 4 BW, geen courtage verschuldigd is.

Beproeven minnelijke regeling, ook bij omzetting faillissement in schuldsaring?

Een andere vraag betreft de verplichting om, alvorens te kunnen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering, een buitengerechtelijk schuldeisersakkoord te beproeven (art. 285 lid 1 sub f en h Fw). Geldt deze verplichting ook indien het gaat om een omzetting van een persoonlijk faillissement in een schuldsanering, op de voet van art. 15b Fw?

Het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken van de rechtbanken lijkt ervan uit te gaan dat deze verplichting in omzettingszaken niet geldt. Uit dit reglement volgt namelijk dat bij een omzettingsverzoek geen stukken behoeven te worden overgelegd omtrent het beproeven van een minnelijk schuldeisersakkoord. Rechtbanken plegen omzettingsverzoeken die niet vergezeld zijn van deze stukken dus gewoon inhoudelijk te beoordelen. De vraag is echter of dit te verenigen is het met het wettelijke voorschrift dat een verzoek om toelating tot de schuldsanering vergezeld moet zijn van deze stukken, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Uit het vraagstellende arrest van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kan worden opgemaakt dat deze ontvankelijkheidsvraag speelt in talrijke omzettingsprocedures bij de gerechtshoven, maar dat in veel gevallen een beslissing achterwege blijft omdat de grieven toch niet kunnen slagen of omdat een inhoudelijke beoordeling niet tot een andere uitkomst zou leiden. In deze omzettingsprocedure komt het hof echter tot het voorlopig oordeel dat, anders dan de rechtbank besliste, de betrokkene in aanmerking komt voor toelating tot de schuldsanering. Daarmee is de ontvankelijkheidsvraag wel degelijk actueel. Het hof heeft deze nu bij wege van prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd.

Positie regresvordering borg in faillissement

Tot slot vermeldt de lijst van lopende zaken een uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 8 oktober 2014. De betreffende uitspraak is (nog?) niet op rechtspraak.nl terug te vinden, maar is wel gepubliceerd in de JOR (2015/24, m.nt. Faber). Het daaraan voorafgaande vonnis is wel op rechtspraak.nl gepubliceerd.

De juridische context wordt gevormd door het leerstuk van het ontstaansmoment van het wettelijke regresrecht van de borg. Uit recente uitspraken van de Hoge Raad volgt dat dit regresrecht toekomstig is tot het moment van betaling door de borg aan de schuldeiser (zie ASR/Achmea, CB 2012-76 en – van de Belastingkamer – HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7157). In de (internationale) financieringspraktijk heeft het ASR/Achmea-arrest het nodige stof doen opwaaien. Zo heerst onduidelijkheid over de consequenties hiervan in faillissementssituaties. Een toekomstige vordering kan, gelet op het fixatiebeginsel, niet verhaald worden op grond van voor faillissement verschafte zekerheden. Dit is anders als die vordering voortvloeit uit een ten tijde van het faillissement reeds bestaande rechtsverhouding, of reeds verrichte handeling door de debiteur. Tegen deze achtergrond stelt de rechtbank de volgende vragen:

1. Is het mogelijk voor een pandhouder om staande het faillissement van diens pandgever verhaal te nemen op de opbrengst van de uitwinning van de betreffende voorafgaande aan dat faillissement gevestigde pandrechten, voor een vordering die is ontstaan op of na de dag van faillietverklaring van de pandgever, en is daarvoor noodzakelijk dat die vordering (rechtstreeks) voortvloeit uit een op de dag van faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding tussen de pandhouder en de schuldenaar dan wel een voordien door de schuldenaar verrichte handeling?

2. Kwalificeert de verhouding hoofdschuldenaar-borg als rechtsverhouding waaruit, in geval van betaling door de borg, de wettelijke regresvordering (rechtstreeks) voortvloeit en/of kwalificeert instemming van de hoofdschuldenaar met de borgtocht als een handeling als hiervoor (vraag 1) bedoeld?

Deze vragen zijn overigens ook aan de orde in een gewone cassatieprocedure in een andere zaak.

Share This