HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7391 (Provinsje Fryslân/Verweerder)

In geval van faillissement geldt in de verhouding tussen de lasthebber van de pandhouder en de debiteur van de verpande vordering hetzelfde als tussen de pandhouder zelf en deze debiteur: de debiteur kan met overeenkomstige toepassing van art. 53 lid 3 Fw zijn tegenvordering verrekenen. De (lasthebber van de) pandhouder komt geen beroep toe op de regel van art. 6:136 BW, dat de tegenvordering niet op eenvoudige wijze behoeft te kunnen worden vastgesteld.

Achtergrond

Een aannemingsmaatschappij heeft werkzaamheden verricht voor de provincie Friesland. Vorderingen op de provincie waren verpand aan ING. Na het faillissement van de aannemingsmaatschappij heeft de ING aan de directeur van de aannemingsmaatschappij of een nader te noemen meester een privatieve last gegeven om die vorderingen op eigen naam te incasseren (vergelijk art. 7:423 BW). De directeur heeft zijn echtgenote gemachtigd de vorderingen te innen. In deze procedure vordert de echtgenote van de provincie Friesland een bedrag van bijna € 50.000,– wegens door de aannemingsmaatschappij verrichte werkzaamheden.

Als verweer tegen deze vordering stelde de provincie Friesland onder meer een vordering te hebben op de aannemingsmaatschappij in verband met een door de provincie kort voor het faillissement buitengerechtelijk ontbonden (turnkey-)overeenkomst. Het hof had hierover geoordeeld dat de door de provincie ingeroepen tegenvordering niet op eenvoudige wijze was vast te stellen, omdat ten aanzien van die vordering arbitrage was overeengekomen. Het hof had dus toepassing gegeven aan art. 6:136 BW, dat bepaalt dat de rechter een vordering kan toewijzen ondanks een beroep van de gedaagde op verrekening, als de gegrondheid van dat verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is). Dit oordeel houdt in cassatie geen stand.

Art. 53 Fw

Art. 53 lid 1 Fw bepaalt dat iemand die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, onder omstandigheden zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde kan verrekenen. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat iedere schuldeiser van de boedel zijn schuld aan de boedel als “onderpand” mag beschouwen voor de betaling van zijn vordering. Volgens het derde lid van dit artikel kan de curator geen beroep doen op art. 6:136 BW. In zijn arrest van 18 november 2005 (NJ 2006/190) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in geval van faillissement van de pandgever, de debiteur van de verpande vordering zijn tegenvordering kan verrekenen met overeenkomstige toepassing van art. 53 Fw, zonder dat de pandhouder een beroep toekomt op art. 6:136 BW. Dat was in verband met het belang van de hiervoor genoemde gedachte van een schuld als “onderpand” voor een vordering. Omdat de echtgenote, verweerster in cassatie, in deze procedure optreedt als lasthebber van de pandhouder ING, geldt in de verhouding tussen haar en de provincie hetzelfde, aldus de Hoge Raad in dit arrest. Het hof had daarom een oordeel moeten geven over de gegrondheid van het beroep op verrekening van de provincie, of het had zijn beslissing moeten aanhouden totdat de arbitrale uitspraak tussen de provincie en de curator was verkregen.

Art. 1022 Rv

De echtgenote had wat betreft de vordering van de provincie nog aangevoerd dat ten aanzien daarvan een arbitrageclausule gold, zodat het hof in zoverre onbevoegd was om over die vordering te oordelen. Het hof had dit beroep als tijdig gedaan aangemerkt. De provincie meende ook in cassatie dat verweerster dit te laat had gedaan, want eerst bij memorie van antwoord in het incidentele appel; art. 1022 lid 1 Rv bepaalt immers dat een (overheids)rechter zich onbevoegd dient te verklaren indien een partij zich voor alle weren beroept op een arbitrageovereenkomst. De Hoge Raad is hierover kort: deze bepaling ziet op het geval dat tussen procederende partijen een arbitraal beding van toepassing is. Verweerster was bij die overeenkomst echter geen partij, zodat de klacht reeds hierom faalt. (Het beding was immers opgenomen in een overeenkomst tussen de aannemingmaatschappij en de provincie.)

Motivering

Twee motiveringsklachten van de provincie treffen nog doel. Het hof was ten onrechte voorbij gegaan aan een arbitraal vonnis waaruit bleek dat de provincie meer van de aannemingsmaatschappij had te vorderen dan omgekeerd en, anders dan het hof had geoordeeld, had de provincie de vermeerdering van de vordering met de wettelijke handelsrente weersproken.

Volgt vernietiging en verwijzing naar een ander hof.

Share This