HR 15 maart 2019 ECLI:NL:HR:2019:377 

Bij beëindiging van de schuldsaneringsregeling door toekenning van een schone lei, is een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan is gebleven, niet langer afdwingbaar (art. 358 lid 1 Fw). Omdat de schuldenaar van degene aan wie de schone lei is toegekend niet bevoegd is als schuldeiser de nakoming van een dergelijke vordering af te dwingen, is hij betrekking met die vordering niet bevoegd om zich op verrekening te beroepen. De ratio van de toekenning van de schone lei staat daarbij in de weg aan analoge toepassing van art. 6:131 lid 1 BW. Wel kan een beroep op niet-verrekenbaarheid wegens niet-afdwingbaarheid van de vordering, wegens de bijzondere omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

De feiten

Verzoekster was indirect bestuurster van een scheepswerf. De scheepswerf is in 2005 in staat van faillissement verklaard. Verweerders zijn aangesteld als curatoren in dat faillissement. De rechtbank Groningen heeft verzoekster veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan een schuldeiser (“de derde schuldeiser”) in dat faillissement. De derde schuldeiser is in 2009 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 12 mei 2015 is verzoekster, naast twee anderen, op vordering van de curatoren hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van het boedeltekort in het faillissement van de scheepswerf. Het daartegen door  verzoekster ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen. Verzoekster heeft de vordering onbetaald gelaten.

In de procedure die leidde tot het hier te bespreken arrest, had de rechtbank op verzoek van de curatoren verzoekster in staat van faillissement verklaard. Het Hof heeft dat vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Vereiste van pluraliteit van schuldeisers

Verzoekster stelde in feitelijke instanties dat de vordering van de derde schuldeiser op haar teniet was gegaan door verrekening met door haar van B BV en C GmbH overgenomen vorderingen op de derde schuldeiser. Door die verrekening zou de steunvordering teniet zijn gegaan en zou derhalve niet zijn voldaan aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers.

Art. 54 lid 2 Fw staat in de weg aan verrekening

Het hof overwoog dat uit de stukken bleek dat de derde schuldeiser in 2009 was toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Verzoekster heeft haar beroep op verrekening onderbouwd met een cessieakte van maart 2012. Daaruit volgt volgens het hof dat verzoekster de vordering heeft overgenomen nadat de derde schuldeiser was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Art. 54 lid 2 FW, dat op grond van art. 313 Fw van overeenkomstige toepassing is tijdens de schuldsaneringsregeling, staat dan in de weg aan de verrekening. Het hof oordeelde daarom dat dus wel aan het pluraliteitsvereiste was voldaan.

Hoge Raad

In cassatie gaat het om de rechtsverhouding tussen de derde schuldeiser en de verzoekster. De Hoge Raad stelt het juridisch kader voorop: ingevolge art. 307 Fw is bij toepassing van de schuldsaneringsregeling verrekening slechts toegestaan indien, kort gezegd, schuld en vordering beide zijn ontstaan vóór de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Uit art. 54 lid 2 Fw jo. 313 lid 1 Fw volgt bovendien dat na de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling overgenomen vorderingen of schulden niet verrekend kunnen worden (rov. 3.4.2).

De Hoge Raad verwijst dan naar het hoofddoel van de schuldsaneringsregeling, dat door toekenning van “een schone lei’ een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, niet langer afdwingbaar is (rov. 3.4.3):

3.4.3. Het hoofddoel van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen is dat wordt tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen, tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden (zie Kamerstukken II 1992/93, 22969, nr. 3, p. 6). Om die reden is in art. 358 lid 1 Fw bepaald dat door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 356 lid 2 Fw (dat wil zeggen met toekenning van de ‘schone lei’), een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan is gebleven, niet langer afdwingbaar is. Dit brengt mee dat slechts een natuurlijke verbintenis in de zin van art. 6:3 BW overblijft.

Omdat de schuldenaar van degene aan wie de schone lei is toegekend niet bevoegd is als schuldeiser nakoming af te dwingen van een vordering als bedoeld in art. 358 lid 1 Fw, is hij met betrekking tot die vordering op grond van art. 6:127 lid 2 BW (“Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.”) niet bevoegd om zich op verrekening te beroepen. Analoge toepassing van art. 6:131 lid 1 BW op de in art. 358 lid 1 BW bedoelde vordering kan hierbij volgens de Hoge Raad gelet op de ratio van de toekenning van de schone lei (zoals vermeld in rov. 3.4.3) niet aan de orde zijn (zie daarover ook § 2.11-2.16 van de conclusie):

3.4.4 (…) De hiervoor in 3.4.3 vermelde ratio van de toekenning van de schone lei aan het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling staat in de weg aan analoge toepassing van art. 6:131 lid 1 BW op de in art. 358 lid 1 Fw bedoelde vordering. De in art. 6:131 lid 1 BW neergelegde regel dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering, brengt dus geen verandering in het hiervoor genoemde uitgangspunt dat na toekenning van de schone lei de schuldenaar van degene aan wie de schone lei is toegekend niet bevoegd is om zich op verrekening te beroepen.

 De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het overweging van het hof dat de cessie waarop verzoekster zich beroept, plaatsvond tijdens de schuldsanering, niet onbegrijpelijk is.

De Hoge Raad merkt tot slot onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak van HR 31 januari 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC0492) nog op dat een beroep op niet-verrekenbaarheid op de grond dat nakoming van de te verrekenen vordering niet afdwingbaar is, wegens de bijzondere omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, maar dat in casu daarop geen beroep is gedaan.

De klachten kunnen dus niet tot cassatie leiden; de overige klachten doet de Hoge Raad af onder verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.

Share This