Selecteer een pagina

HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:750 (Montis/Goossens)

Het schrappen van het vereiste van de instandhoudingsverklaring (art. 21 lid 3 (oud) BTMW) uit de wet per 1 december 2003, heeft niet tot gevolg dat het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst dat voor 1 december 2003 is vervallen wegens het niet tijdig afleggen van een instandhoudingsverklaring, herleeft.

Na meer dan 8 jaar is de cassatieprocedure over de Charly- en Chaplin-stoelen van Montis afgerond met het tweede arrest van de Hoge Raad. De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Benelux-Gerechtshof, dat hof stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU, en na dit rondje Den Haag-Brussel-Luxemburg-Brussel-Den Haag kan de zaak nu weer verder bij het hof in Den Bosch. Want het was een cassatieberoep tegen een tussenarrest.

De achtergrond van de zaak beschreven we eerder hier (eerste arrest HR) en hier (arrest HvJEU). Heel kort samengevat gaat de zaak erover of het auteursrecht van Montis op haar stoelen in 1993 blijvend is vervallen toen zij na het vervallen van haar modelrecht op de stoelen geen ‘instandhoudingsverklaring’ aflegde. Dat was destijds vereist om het auteursrecht in dat geval wél te behouden. Volgens Montis was dat vereiste in strijd met het formaliteitenverbod uit art. 5 lid 2 van de Berner Conventie. De Hoge Raad oordeel in zijn eerste arrest van niet: als de Berner Conventie al van toepassing is op de stoelen, staat het formaliteitenverbod er alleen aan in de weg dat de stoelen korter worden beschermd dan de minimumtermijn van 25 jaar uit art. 7 lid 4 BC.

Wel vroeg de Hoge Raad aan het Benelux-Gerechtshof of het in 1993 vervallen auteursrecht misschien op enig moment was herleefd. Bijvoorbeeld na de schrapping van het vereiste uit de wet in 2003. Of zelfs al met ingang van de peildatum van de Beschermingstermijnrichtlijn, 1 juli 1995. Of al (met terugwerkende kracht) op het moment dat het auteursrecht was vervallen. Het Benelux-Gerechtshof oordeelde dat dat op zichzelf niet uit de BTMW voortvloeide, maar het HvJEU moest erover oordelen of de Beschermingstermijnrichtlijn misschien in de weg stond aan het vervallen van het auteursrecht door een regeling als in de BTMW. Dat was niet zo: het verval van een auteursrecht vóór de peildatum werd niet door de richtlijn beïnvloed. Ook de Berner Conventie, die de EU volgens het TRIPs-verdrag in acht moet nemen, dateert van later datum.

In het voetspoor van het Benelux-Gerechtshof oordeelt de Hoge Raad:

“Uit de beantwoording door het BenGH van de eerste prejudiciële vraag van de Hoge Raad volgt dat het auteursrecht van Montis op de Charly, dat vóór 1 december 2003 is vervallen wegens het niet tijdig afleggen van een instandhoudingsverklaring als bedoeld in art. 21 lid 3 (oud) BTMW, niet is herleefd als gevolg van het vervallen van het vereiste van een instandhoudingsverklaring per 1 december 2003.”

Goossens is in cassatie en in de twee prejudiciële procedures bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur, in samenwerking met Peter Lodestijn, die Goossens in feitelijke instanties heeft bijgestaan.

Share This