Selecteer een pagina

Alle berichten met de tag: Berner Conventie


Hoge Raad 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:451 (eiser/De 4 Jaargetijden)

Bij een beroep op art. 25 lid 1 sub d Auteurswet vormt de mogelijkheid van reputatieschade een zelfstandig vereiste. Daarnaast gaat het bij de vraag of er reputatieschade kan optreden om een objectieve toets waarbij alle (relevante) omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen. Als eenmaal is komen vast te staan dat sprake is van een aantasting van een auteursrechtelijk beschermd werk, en die aantasting tot reputatieschade kan leiden, is er geen ruimte meer voor het verrichten van een (aanvullende) belangenafweging. Het oordeel dat een architect in deze zaak geen beroep kon doen op zijn persoonlijkheidsrechten was door het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. (meer…)

HvJEU 20 oktober 2016, C‑169/15, ECLI:EU:C:2016:790 (Montis/Goossens)

(1) De termijnen uit de beschermingstermijnrichtlijn zijn niet van toepassing op auteursrechten die aanvankelijk door een nationale wetgeving werden beschermd, maar vóór 1 juli 1995 zijn vervallen. (2) De beschermingstermijnrichtlijn verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die aanvankelijk auteursrechtelijke bescherming had verleend aan een werk, maar die vervolgens vóór 1 juli 1995 deze rechten als blijvend vervallen heeft beschouwd wegens het niet voldoen aan een formeel vereiste. (meer…)

HR 28 oktober 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BR3059 (MAG/Edco)

De bewijslast voor het in het concrete geval bestaan van auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong in het kader van de reciprociteitsbepaling van art. 2 lid 7 Berner Conventie ligt op de partij die zich op het auteursrecht beroept. Verder stelt de Hoge Raad prejudiciële vragen over het overgangsrecht bij een wijziging van de BTMW (oud) met betrekking tot de samenloop van modellenrecht en slaafse nabootsing. (meer…)