HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:484 (Hanzevast/G4)

(1) De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand dat de bestuurder van een projectvennootschap, die op onjuiste gronden een koopovereenkomst heeft ontbonden, aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade; (2) het hof had de vrijheid in een geval als het onderhavige de schade abstract te begroten met analoge toepassing van art. 7:36 BW.

Hanzevast/G4: het vervolg

Het arrest in deze zaak is het vervolg op HR 8 juli 2011 (besproken in CB 2011-39), waarin de Hoge Raad oordeelde dat de partij die een ongerechtvaardigde ontbindingsverklaring heeft uitgebracht en geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om haar verzuim te zuiveren, terwijl partijen zich hebben neergelegd bij het niet-uitvoeren van de overeenkomst, aan een op art. 6:74 BW gebaseerde vordering van de wederpartij tot vergoeding van het positief contractsbelang niet kan tegenwerpen dat de overeenkomst niet is ontbonden.

Kort gezegd gaat het om de volgende casus. De vennootschap Hanzevast Beleggingen was bestuurder van de (project-)vennootschap Hanzevast III. Hanzevast III had – achteraf bezien – een koopovereenkomst met G4 niet-gerechtvaardigd buitengerechtelijk ontbonden. G4 had bestreden dat de ontbindingsverklaring gerechtvaardigd was, maar zich erbij neergelegd dat Hanzevast III de koopovereenkomst niet meer uitvoerde. Partijen hebben zich dus tegenover elkaar gedragen alsof de overeenkomst door de ontbindingsverklaring was beëindigd. Nu de ontbindingsverklaring achteraf bezien niet-gerechtvaardigd was, leidde dit tot verzuim van Hanzevast III ten aanzien van haar verplichting de koopovereenkomst na te komen. Omdat Hanzevast III een “lege” vennootschap was, die speciaal was opgericht met oog op de afwikkeling van de koopovereenkomst, spreekt G4 ook Hanzevast Beleggingen aan tot vergoeding van de door haar als gevolg van de wanprestatie van Hanzevast III geleden schade. In cassatie ging het daarmee ditmaal om de vraag of de bestuurder van een (project-)vennootschap persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die de wederpartij van die projectvennootschap heeft geleden als gevolg van een – achteraf bezien – niet-gerechtvaardigde ontbinding van een koopovereenkomst. Het hof had over die vraag onder meer het volgende overwogen:

3.20 Hanzevast III is niet nagekomen maar heeft – ten onrechte – de ontbinding ingeroepen. G4 heeft daardoor in beginsel recht op vergoeding van het positief contractsbelang dat in zoverre in plaats komt van de nakoming van Hanzevast III. Het moet als onrechtmatig worden geoordeeld indien Hanzevast als bestuurder in weerwil van de overeenkomst Hanzevast III op het moment van levering niet zou hebben voorzien van de financiële middelen om haar in staat te stellen de overeenkomst met G4 na te komen. In het verlengde daarvan ligt het dat niet kan worden aanvaard dat de bestuurder de projectvennootschap niet van financiële middelen voorziet indien de projectvennootschap door een ongegronde ontbinding niet nakomt, haar verzuim niet zuivert en daarom gehouden is het positief contractsbelang aan haar wederpartij te voldoen.”

Het hof oordeelt dat Hanzevast Beleggingen als bestuurder van Hanzevast III een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt en dat zij daarom aansprakelijk is voor zover zij Hanzevast III niet van voldoende financiële middelen zou voorzien om het positief contractsbelang aan G4 te voldoen.

Cassatie

In cassatie klaagt Hanzevast dat de door het hof meegewogen omstandigheden onvoldoende zijn om aan te nemen dat Hanzevast Beleggingen als bestuurder van Hanzevast III persoonlijk een ernstig verwijt treft. De Hoge Raad merkt op dat het hof bij het beoordelen van de vraag of Hanzevast Beleggingen aansprakelijk is de maatstaf van het arrest Ontvanger/Roelofsen heeft gehanteerd en dat deze (nu daarover niet is geklaagd) ook in cassatie tot uitgangspunt dient. Vervolgens loopt de Hoge Raad de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden na (rov. 3.3.2). Het gaat daarbij onder meer om de omstandigheden dat ingevolge de koopovereenkomst tussen Hanzevast III en G4 laatstgenoemde ervan mocht uitgaan dat Hanzevast Beleggingen ervoor zou zorgdragen dat Hanzevast III van voldoende financiële middelen zou worden voorzien om de koopsom te kunnen voldoen; dat ook Hanzevast Beleggingen zich ervan bewust was dat G4 hiervan uitging en om die reden geen zekerheden had bedongen; dat het onrechtmatig jegens G4 zou zijn geweest indien Hanzevast Beleggingen er op het moment van levering niet zorg voor zou hebben gedragen dat Hanzevast III van voldoende financiële middelen zou zijn voorzien om de koopsom te voldoen; en dat eveneens in dit geval sprake is van onrechtmatigheid nu Hanzevast Beleggingen als bestuurder van Hanzevast III de ontbinding van de koopovereenkomst op onjuiste gronden heeft ingeroepen, daaruit een schadevordering van G4 is voortgevloeid, en Hanzevast Beleggingen nalaat ervoor zorg te dragen dat Hanzevast III van voldoende financiële middelen is voorzien om die schadevordering te kunnen voldoen. De Hoge Raad vervolgt:

“3.3.2 (…) Door op grond van de hiervoor weergegeven, in onderlinge samenhang te beschouwen omstandigheden en overwegingen te oordelen dat Hanzevast Beleggingen als bestuurder van Hanzevast III aansprakelijk is jegens G4 omdat haar persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van haar handelen, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In zijn oordeel ligt besloten dat Hanzevast Beleggingen heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Hanzevast III haar verplichtingen jegens G4 niet kon nakomen, terwijl Hanzevast Beleggingen wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat Hanzevast III geen verhaal zou bieden voor de schadevordering van G4 doordat Hanzevast Beleggingen niet ervoor heeft zorggedragen dat Hanzevast III van financiële middelen is voorzien. Het oordeel van het hof kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder op juistheid worden onderzocht; het is ook niet onbegrijpelijk.”

Tot slot overweegt de Hoge Raad nog dat het hof de vrijheid had om de schade te begroten met analoge toepassing van art. 7:36 BW. Dit artikel bepaalt dat in geval van ontbinding van de koop, wanneer de zaak een dagprijs heeft, de schadevergoeding gelijk is aan het verschil tussen de in de overeenkomst bepaalde prijs en de dagprijs ten tijde van de niet-nakoming. Het gaat hierbij dus om een abstracte wijze van schadebegroting. Nu de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (art. 6:97 BW) en art. 7:36 BW niet uitsluit dat de daarin opgenomen wijze van schadeberekening ook wordt toegepast op gevallen die niet onder deze bepaling vallen, had het hof de vrijheid om aldus de schade te berekenen:

“3.4.3 Uit het vorenoverwogene volgt dat het hof de vrijheid had de in art. 7:36 BW opgenomen wijze van schadeberekening toe te passen in een geval zoals het onderhavige, waarin de koop niet is ontbonden, maar beide partijen zich erbij hebben neergelegd dat de overeenkomst niet meer wordt uitgevoerd (vgl. het eerdere arrest in deze zaak van 8 juli 2011).”

Hanzevast werd in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en bij het hof door Mert Kremer (Trip Advocaten & Notarissen).

Share This