HR 2 september 2011, LJN BQ5098 (Staat/X)

Vervolg op HR 16 november 2001, LJN AD5493 (NVV c.s./Staat). Het verwijzingshof heeft kunnen oordelen dat verweerder in cassatie (varkenshouder) door de herstructureringsmaatregelen eind jaren ’90 onevenredig zwaar is getroffen en daarvoor financieel gecompenseerd moet worden. De poging om het eerdere oordeel van hof en Hoge Raad dat geen sprake is van eigendomsontneming opnieuw ter discussie te stellen, strandt op de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing.

In september 1998 is de Wet herstructurering varkenshouderij (de Whv) in werking getreden. De belangrijkste doelstelling van de Whv was om de milieubelasting door overmatige mestproductie tegen te gaan. Daartoe voorzag de Whv in een aantal maatregelen die samen tot een reductie van de mestproductie zouden moeten leiden. Een van die maatregelen betrof een vaststelling van de toegestane omvang van varkensrechten. Daarbij werd uitgegaan van het gemiddelde van de voordien daadwerkelijk benutte mestproductierechten in een bedrijf, te verminderen met een korting van 10%. Deze vaststelling impliceerde ook het verval van de zogenaamde latente ruimte: het verval van de voorheen bestaande, maar niet daadwerkelijk gebruikte mestproductierechten.

De Nederlandse vakbond varkenshouders (NVV) en een aantal varkensboeren – waaronder de verweerder in deze cassatieprocedure – zijn een procedure tegen de Staat gestart. In een eerdere  cassatieprocedure betoogden zij dat de Whv-maatregelen onverbindend waren wegens strijd met fundamentele rechtsbeginselen, het Europese recht, of art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dat standpunt verwierp de Hoge Raad. Maar de Hoge Raad achtte niet uitgesloten dat genoemde maatregelen voor individuele varkenshouders “in verband met bijzondere, niet voor alle varkenshouders geldende feiten en omstandigheden een ‘individual and excessive burden’ vormen en de desbetreffende bepalingen van de Whv om die reden voor hen buiten toepassing moeten worden gelaten”. Om deze vraag nog te onderzoeken werd de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem.

In de verwijzingsprocedure heeft het hof uiteindelijk alleen ten aanzien van verweerder in cassatie – die zich mede ten gevolge van de Whv-maatregelen genoodzaakt had gezien zijn bedrijf te beëindigen – geoordeeld dat sprake was van een individual and excessive burden. Het hof baseerde zich onder meer op de omstandigheid dat het verlies van latente ruimte voor deze varkenshouder 34% bedroeg, terwijl dat gemiddeld op 18% lag. Verder vond het hof van belang dat de varkenshouder hierdoor niet in staat was geweest een investering van fl. 60.000 uit 1993 uit te nutten.

Principaal cassatieberoep

In cassatie betoogde de Staat dat dit bovengemiddelde verlies van latente (om niet verkregen varkensrechten) niet kan kwalificeren als de in de verwijzingsinstructie bedoelde bijzondere omstandigheid die een individual and excessive burden vormt en dat dit ook uit de verwijzingsinstructie volgt. De Hoge Raad had in het eerste arrest immers overwogen dat

“(…) art. 1 lid 2 van het Eerste Protocol in beginsel geen grond biedt om de Whv buiten toepassing te laten ten aanzien van varkenshouders die door de bestreden maatregelen [waaronder het vervallen van de latente ruimte, FRB] slechts getroffen zijn in mestproductierechten of varkensrechten die ingevolge de wet aan hen zijn toegekend en die zij niet op andere wijze tegen betaling hebben verworven.”

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de Staat verworpen. Het oordeel dat, gelet op zijn bovengemiddelde verlies van latente ruimte, gecombineerd met (onder andere) het gegeven dat de varkenshouder zijn investering niet heeft kunnen uitnutten, de varkenshouder onevenredig is getroffen in zijn belangen is niet onjuist en berust voor het overige op uitleg en waardering van gegevens van feitelijke aard, waarin de Hoge Raad niet treedt.

Incidenteel cassatieberoep

De varkenshouder heeft zelf, mede namens NVV en de andere varkenshouders, incidenteel cassatieberoep ingesteld. Zij voerden onder andere aan dat alsnog zou moeten worden beslist dat de mestproductie- c.q. varkensrechten zijn te beschouwen als zelfstandig vermogensbestanddeel en dat om die reden te dezen sprake is van eigendomsontneming (zodat per definitie sprake is van strijd met art. 1 Eerste Protocol), in plaats van slechts van eigendomsregulering zoals in het arrest van 16 november 2011 was beslist. De klacht stuit af op de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing (art. 424 Rv): het hof Den Haag, dat zich eerst over de zaak had gebogen, had die stelling al verworpen en de daartegen gerichte klachten in de eerste cassatieprocedure waren verworpen. De Hoge Raad benadrukt dat hij zijn arrest van 16 november 2001 nog altijd volledig onderschrijft.

De Staat is in cassatie bijgestaand door Gerbrant Snijders en de auteur.

Share This