HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1441

(i) Op ongedaanmaking van infrastructurele werkzaamheden die de Gemeente ter uitvoering van nietige – want in strijd met de gemeentelijke exploitatieverordening, art. 42 WRO (oud) –  exploitatieovereenkomsten heeft verricht, zijn de ‘Warmond-jurisprudentie’ en art. 6:210 lid 2 BW van toepassing.

(ii) Het hof heeft ten onrechte niet onderzocht of de toegewezen bedragen hoger lagen dan de marktwaarde die de door de Gemeente verrichte prestaties ten tijde van de ontvangst daarvan voor de percelen van eiser X hadden.

Achtergrond van deze zaak

Via een akte van ruiling heeft de Gemeente Molenwaard (de ‘Gemeente’) in 2004 enkele percelen weiland geruild met de heer X. Deze ruil vond plaats met het oog op de ontwikkeling van het bedrijventerrein Gelkenes Oost. In de akte is overeengekomen dat de Gemeente infrastructurele werken in het bedrijventerrein zou aanleggen. Als tegenprestatie zou X aan de Gemeente een bedrag van € 408.600,- betalen als bijdrage in de exploitatiekosten voor de realisatie van de infrastructurele voorzieningen. In 2004 hebben de Gemeente en X een vergelijkbare overeenkomst gesloten ten aanzien van de ontwikkeling van het bedrijventerrein Gelkenes West. De bijdrage in de exploitatiekosten bedroeg in dit geval € 327.189,-. X heeft deze bedragen niet betaald. De (in de akte en overeenkomst neergelegde) exploitatieovereenkomsten bleken nietig te zijn wegens strijd met de destijds geldende Exploitatieverordening 1996 (hierna: ‘Exploitatieverordening’).

De Gemeente heeft daarop een procedure aanhangig gemaakt en in conventie betaling van (onder meer) voormelde bedragen gevorderd. In reconventie heeft X zich op het standpunt gesteld dat de Gemeente geen aanspraak kan maken op de financiële bijdrage. De rechtbank heeft de vordering van de Gemeente op grond van art. 6:210 lid 2 BW toegewezen en dit oordeel bleef in hoger beroep in stand, waarna X in cassatie is gegaan.

Cassatie

Het cassatieberoep ziet uitsluitend op de toewijzing van de bijdrage in de exploitatiekosten voor de realisatie van de van de infrastructurele werken. Het eerste onderdeel klaagt dat de infrastructurele werken ‘sowieso’ door de Gemeente zouden worden aangelegd en dus niet op grond van de (nietige) exploitatieovereenkomsten zijn aangelegd. Daarom was, volgens X, de Warmond-jurisprudentie niet van toepassing en kon de Gemeente geen aanspraak maken op vergoeding wegens onverschuldigde betaling (art. 6:210 lid 2 BW).

In deze Warmond-jurisprudentie (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1055, NJ 2001/581 (Warmond I) en HR 12 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8443, NJ 2005/431 (Warmond II) is, kort gezegd, uitgemaakt dat een gemeente niet op grond van een nietige exploitatieovereenkomst aanspraak kan maken op betaling van het in die overeenkomst bedongen bedrag, maar dat wel – in het kader van onverschuldigde betaling – een vergoeding van de waarde van de verrichte prestatie kan worden gevorderd op grond van art. 6:210 lid 2 BW. In deze zaken had de Gemeente Warmond echter prestaties verricht uitsluitend ten behoeve van één partij. Volgens X was de jurisprudentie daarom nu – aangezien de werken ‘sowieso’ en niet uitsluitend ten behoeve van X zouden worden aangelegd – niet van toepassing.

De Hoge Raad heeft deze klacht in rov. 3.4.2 verworpen. Volgens de Hoge Raad heeft de Gemeente zich middels de exploitatieovereenkomsten jegens X verbonden tot het aanleggen van de infrastructurele werken. Dat de Gemeente die werkzaamheden ook zonder het aangaan van deze overeenkomsten zou hebben verricht en voor het sluiten ervan al met de werkzaamheden was begonnen, neemt niet weg dat X een rechtens afdwingbare afspraak jegens de Gemeente heeft verkregen. Dit brengt mee dat de Gemeente de werkzaamheden jegens X heeft verricht op grond van de (nietige) exploitatieovereenkomsten, waardoor de Warmond-jurisprudentie ook van toepassing is. Hieraan doet niet af dat de infrastructurele werkzaamheden niet uitsluitend ten behoeve van X werden verricht, nu voorzieningen van openbaar nut altijd strekken tot baat van eenieder in het exploitatiegebied.

Het tweede onderdeel klaagt over de hoogte van de door X op grond van art. 6:210 lid 2 BW verschuldigde vergoeding. Volgens X heeft het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de eisen die voortvloeien uit het arrest Michielse/Gemeente Reusel-De Mierden (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3532, NJ 2016/159, m.nt. Lindenbergh). Volgens X heeft het hof ten onrechte a) nagelaten te onderzoeken welke kosten de Gemeente daadwerkelijk heeft gemaakt; b) onvoldoende aandacht besteed aan de vraag of de te vergoeden werkzaamheden specifiek met betrekking tot de percelen van X zijn getroffen; en c) onvoldoende aandacht besteed aan de vraag of de toegewezen bedragen hoger zijn dan de marktwaarde van de door de Gemeente verrichte prestaties ten tijde van de ontvangst daarvan.

De Hoge Raad heeft de onder a) vermelde klacht in rov. 3.8.3 verworpen. De Hoge Raad overwoog dat het, in het kader van de vraag in hoeverre de Exploitatieverordening een grondslag biedt voor het bedingen van een tegenprestatie voor de door de Gemeente verrichte exploitatiewerkzaamheden, niet gaat om de daadwerkelijk door de Gemeente gemaakte kosten, maar om de kosten die zijn begroot met behulp van de in de Exploitatieverordening voorgeschreven methodiek.

De onder b) vermelde klacht is door de Hoge Raad in rov. 3.8.4 eveneens verworpen. Volgens de Hoge Raad houdt de eis dat de te vergoeden werkzaamheden specifiek met betrekking tot de percelen van X zijn getroffen in dat (ook) de percelen van X door de getroffen voorzieningen van openbaar nut gebaat moeten zijn en heeft het hof dat ook niet miskend.

De onder c) vermelde klacht heeft de Hoge Raad in rov. 3.8.5 wel gegrond geacht. Het hof heeft immers slechts onderzocht welke vergoeding op basis van de Exploitatieverordening geoorloofd zou zijn geweest voor de door het hof in aanmerking genomen exploitatiewerkzaamheden, maar heeft niet onderzocht of de toegewezen bedragen hoger lagen dan de marktwaarde die de door de Gemeente verrichte prestaties ten tijde van de ontvangst daarvan voor de percelen van X hadden.

De Hoge Raad heeft het bestreden arrest vernietigd en verwezen naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

A-G Keus

De uitspraak van de Hoge Raad was contrair aan de conclusie van advocaat-generaal Keus, die tot verwerping van het cassatieberoep concludeerde. De A-G achtte de klacht over het plafond van de marktwaarde weliswaar gegrond, maar vond in § 2.31-2.34 dat X daarbij geen belang had, omdat de toegewezen bedragen in het onderhavige geval niet hoger zouden zijn dan de marktwaarde.

De Gemeente werd in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema.

Share This