HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:157 en ECLI:NL:HR:2017:163.

Bij de verdeling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige over kinderen uit twee relaties kan (een duidelijk verschil in) de behoefte van deze kinderen een rol spelen. Indien sprake is van in verschillende landen woonachtige kinderen kan ook een verschil in kosten van levensonderhoud tussen die landen van belang zijn voor het bepalen van de behoefte van die kinderen. Daarnaast is van belang of de nieuwe partner van de onderhoudsplichtige een eigen inkomen heeft, zodat deze dient bij te dragen aan de behoefte van de kinderen uit de relatie met de onderhoudsplichtige.

Achtergrond van deze zaak

De man en de vrouw – met respectievelijk de Oostenrijkse en Duitse nationaliteit – zijn in 1997 getrouwd. Gedurende hun huwelijk hebben zij twee kinderen gekregen: een zoon en een dochter. In 2011 zijn de man en vrouw gescheiden. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de man een bedrag van € 560,- per maand per kind aan kinderalimentatie moet betalen. Na de echtscheiding heeft de man in Polen een nieuwe relatie gekregen. Met deze nieuwe relatie heeft hij een (derde) kind gekregen; een vierde kind is onderweg. De man woont nog steeds in Polen.

In deze zaak heeft de vrouw bij de rechtbank onder meer een verzoek tot verhoging van de eerder vastgestelde kinderalimentatie ingediend. De man heeft daarentegen om verlaging van de kinderalimentatie verzocht. Het hof heeft de kinderalimentatie – naar evenredigheid – bepaald op € 390,- per maand per kind en, wanneer het vierde kind is geboren, van € 293,- per maand per kind. Tegen deze uitspraak hebben de inmiddels meerderjarige zoon (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:157) en de moeder namens de minderjarige dochter (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:163) cassatieberoep ingesteld.

Cassatie

In cassatie wordt – in beide zaken – onder meer geklaagd over de beslissing van het hof om de draagkracht van de man naar evenredigheid te verdelen over de kinderen uit de relatie met de vrouw en de kinderen uit de relatie met zijn nieuwe partner. Volgens de moeder en de zoon heeft het hof hiermee de artikelen 1:397 BW en 1:404 BW miskend, althans is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de stellingen dat de in Polen woonachtige kinderen van de nieuwe partner een lagere behoefte hebben en dat de nieuwe partner een eigen inkomen heeft, zodat ook zij dient bij te dragen aan de behoefte van haar kinderen met de man.

 

Het cassatieberoep slaagt. Daartoe herhaalt de Hoge Raad allereerst de verdelingsmaatstaf uit het arrest HR 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451, NJ 1992/178. Deze maatstaf behelst dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit een eerste en tweede relatie, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om volledig aan die verplichtingen te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen wordt verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven. Dit kan het geval zijn bij een duidelijk verschil in behoefte.

Vervolgens verwijst de Hoge Raad naar eerdere rechtspraak waarin is bepaald dat indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, niet alleen rekening moet worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting (kan) rust(en). Daardoor kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere relatie beschikbare gedeelte van draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder (HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS3643, NJ 2005/379 en HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295, NJ 2012/498).

In het licht van deze rechtspraak overweegt de Hoge Raad vervolgens:

“3.3.2 (…)

Indien sprake is van kinderen in verschillende landen, kan ook een verschil in kosten van levensonderhoud tussen die landen van belang zijn voor het bepalen van de behoefte van die kinderen.

Voor de beantwoording van de vraag welk deel van de draagkracht van de man beschikbaar is voor de kinderen uit zijn eerste relatie, is derhalve van belang of de kinderen uit zijn tweede relatie een lagere behoefte hebben dan de kinderen uit zijn eerste relatie en of de nieuwe partner van de man een eigen inkomen heeft, zodat zij dient bij te dragen aan de behoefte van haar kinderen uit haar relatie met de man.”

De Hoge Raad vernietigt – in beide zaken – de beschikking van het hof, nu het hof had geoordeeld dat de draagkracht van de man gelijkelijk over de drie (en later vier) kinderen van de man moet worden verdeeld, zonder daarbij in te gaan op de stellingen over de behoefte van de kinderen en het inkomen van de nieuwe partner. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

 

 

Share This