Selecteer een pagina

HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748

’s Hofs beslissing om de moeder te verplichten medewerking te verlenen aan een voorlopige omgangsregeling waarbij vorm, frequentie en duur van de omgang aan het Omgangshuis worden overgelaten, berust op een wettelijke grondslag en is niet in strijd met art. 8 EVRM.

In dit geding verzoekt de vader van een minderjarig kind, nadat zijn relatie met de moeder is beëindigd, op de voet van art. 1:377a BW een omgangsregeling. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft en bij wie de dochter verblijft, weigert hieraan haar medewerking te verlenen.

Het hof heeft partijen bij wijze van voorlopige omgangsregeling verwezen naar het “Omgangshuis Noord Holland“. Dat is een particuliere instelling die bemiddelt bij de totstandkoming van omgangsregelingen (zie de conclusie, sub 2.9-2.10). Het hof heeft beslist dat de nadere invulling van de omgangsregeling door het Omgangshuis zal worden bepaald. Tevens heeft het hof de moeder, op straffe van een dwangsom, veroordeeld daaraan haar medewerking te verlenen.

In cassatie klaagt de moeder dat ’s hofs verwijzing naar het Omgangshuis geen wettelijke of verdragsrechtelijke basis heeft, nu het hier een particulier initiatief betreft, waarop geen controle van overheidswege wordt uitgeoefend. Het aldus inperken van het recht op gezag is volgens de moeder in strijd met art. 8 EVRM.

Deze klacht faalt. De Hoge Raad stelt in rov. 3.3.2 het fundamentele recht op omgang tussen ouder en kind, zoals verankerd in art. 1:377a BW, voorop. Onder verwijzing naar een recente beschikking (zie CB 2014-21) overweegt de Hoge Raad dat de rechter desverlangd, indien de met het gezag belaste ouder niet meewerkt aan de totstandkoming of de uitvoering van een (voorlopige) omgangsregeling, maatregelen kan treffen om die ouder te bewegen tot naleving van zijn (of in dit geval haar) verplichtingen die corresponderen met het recht op omgang van de andere ouder en het kind met elkaar. De Hoge Raad voegt hieraan toe:

“3.3.2 (…) In dit verband kan de rechter onder meer van partijen verlangen dat zij zich bij de totstandkoming of de uitvoering van een (voorlopige) omgangsregeling laten begeleiden door een derde of een instelling die daartoe naar zijn oordeel voldoende gekwalificeerd is. Een en ander strookt met het belang van het kind dat een regeling betreffende zijn omgang met de niet met het gezag belaste ouder op zorgvuldige wijze tot stand komt.”

Gelet op het voorgaande, zo oordeelt de Hoge Raad in rov. 3.3.3, berust de beslissing van het hof om de moeder te verplichten medewerking te verlenen aan een voorlopige omgangsregeling waarbij vorm, frequentie en duur van de omgang aan het Omgangshuis worden overgelaten, op een wettelijke grondslag en is dit oordeel niet in strijd met art. 8 EVRM.

De Hoge Raad geeft hierbij wel een vingerwijzing aan de feitenrechter, namelijk “dat het in het algemeen aanbeveling verdient dat de rechter aanwijzingen geeft over frequentie en duur van de aldus te organiseren contacten tussen het kind en de niet-verzorgende ouder“. Voorts wijst de Hoge Raad erop dat iedere ouder zich tot de rechter kan wenden indien hij of zij meent dat de nadere vormgeving van de omgangsregeling door het Omgangshuis “op enig punt niet aanvaardbaar” is. De rechter blijft dus, ook als hij de nadere vormgeving van een voorlopige omgangsregeling overlaat aan een instantie als het Omgangshuis, verantwoordelijk voor de (uiteindelijke) vaststelling van de omgangsregeling en behoudt dan ook de mogelijkheid deze te veranderen, aldus de Hoge Raad (rov. 3.3.3).

De moeder heeft overigens wel succes met haar klacht dat het hof haar ten onrechte een dwangsom heeft opgelegd. Dat had de vader namelijk in zijn verweerschrift in hoger beroep niet verzocht (hij vroeg om bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank, waarin geen dwangsom was opgelegd). Aldus is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden (rov. 3.4.2). Op dit punt volgt vernietiging en verwijzing.

Share This