Selecteer een pagina

HR 24 december 2021 ECLI:NL:HR:2021:1990

De Wet modernisering arbitragerecht is ook van toepassing op buitenlandse arbitrages. Op (buitenlandse) arbitrages die op of na 1 januari 2015 aanhangig zijn gemaakt, is het nieuwe arbitragerecht van toepassing en dan is het hof bevoegd om kennis te nemen van een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis. Op arbitrages die vóór 1 januari 2015 aanhangig zijn gemaakt, is het oude arbitragerecht van toepassing en dan is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van een dergelijk verzoek.

Achtergrond en aanleiding voor de procedure

Partijen hebben een arbitrage gevoerd over de exploitatie van olievelden in Kazachstan bij het Arbitration Institute verbonden aan de Stockholm Chamber of Commerce te Zweden.  De Republiek Kazachstan verliest de arbitrage van [verweerders]. Ondanks verzoeken tot vernietiging van het arbitrale vonnis door Kazachstan, laat de Zweedse rechter het vonnis in stand.

[verweerders] hebben vervolgens bij verzoekschrift het Hof Amsterdam verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van de arbitrale vonnissen. Kazachstan heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof niet bevoegd is van het verzoek van [verweerders] kennis te nemen. Volgens Kazachstan is op deze procedure het Vierde Boek (‘Arbitrage’) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals dat gold tot 1 januari 2015 (hierna: het oude arbitragerecht) van toepassing. Daarom is niet het hof, maar de voorzieningenrechter in de rechtbank bevoegd van het verzoek van [verweerders] kennis te nemen.

Het hof verklaart zich desondanks bevoegd en verleent verlof tot erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis. Daartegen stelt Kazachstan cassatieberoep in.

Hoge Raad: ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen exequaturverlening

De Hoge Raad geeft eerst enkele beslissingen over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van Kazachstan.

Ten eerste hebben [verweerders], onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM1679, Rosneft/Yukos), aangevoerd dat Kazachstan in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat tegen exequaturverlening geen gewone rechtsmiddelen openstaan en Kazachstan geen doorbrekingsgrond heeft gesteld.

De Hoge Raad gaat hierin niet mee. In genoemd arrest heeft de Hoge Raad beslist dat het rechtsmiddelenverbod van art. 1062 lid 4 (oud) Rv in verbinding met art. 1064 lid 1 (oud) Rv betrekking heeft op de verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging. Dat verbod heeft geen betrekking op een beslissing over de vraag welke rechter absoluut bevoegd is om kennis te nemen van het exequaturverzoek. Het onderhavige rechtsmiddelenverbod staat er daarom niet aan in de weg dat Kazachstan ontvankelijk is in haar cassatieberoep, aldus de Hoge Raad (rov. 3.1.2).

Ten tweede hebben [verweerders] aangevoerd dat Kazachstan in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat Kazachstan heeft nagelaten (door het hof ambtshalve toegelaten) tussentijds cassatieberoep in te stellen tegen het bevoegdheidsoordeel van het hof in de tussenbeschikking, althans dat Kazachstan geen belang heeft bij haar cassatieberoep omdat het hof de inhoudelijke bezwaren tegen het exequaturverzoek al ongegrond heeft bevonden.

De Hoge Raad verwerpt ook dit verweer. De Hoge Raad onderkent dat Kazachstan niet heeft bijgedragen aan een efficiënte en voortvarende procesvoering door geen tussentijds cassatieberoep in te stellen tegen het bevoegdheidsoordeel van het hof in de tussenbeschikking. Maar dat is volgens de Hoge Raad in deze zaak onvoldoende voor niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het betoog dat Kazachstan geen belang heeft bij het cassatieberoep faalt volgens de Hoge Raad eveneens omdat de regels over absolute bevoegdheid van openbare orde zijn (rov. 3.2.2).

Bevoegdheid van het hof op grond van overgangsrecht van de Wet modernisering arbitragerecht ingeval van buitenlandse arbitrages

Kazachstan klaagde in cassatie dat het hof op basis van het oude arbitragerecht niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek van [verweerders] tot erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis. Dit volgt volgens Kazachstan uit art. IV Wet modernisering arbitragerecht. Het hof heeft volgens Kazachstan ten onrechte geoordeeld dat dit overgangsrecht niet is geschreven voor buitenlandse arbitrages en zich op die grond bevoegd verklaard.

De Hoge Raad acht deze klacht gegrond. Ter achtergrond is het volgende van belang. Met ingang van 1 januari 2015 is het Vierde Boek (‘Arbitrage’) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gewijzigd. Daarbij is ook de regeling voor buitenlandse arbitrages in titel 2 (‘Arbitrage buiten Nederland’) op een aantal punten gewijzigd. Het overgangsrecht is neergelegd in art. IV Wet modernisering arbitragerecht.

Art. IV Wet modernisering arbitragerecht maakt voor het overgangsrecht een onderscheid op grond van het moment waarop de arbitrage aanhangig is gemaakt.

Op arbitrages die op of na 1 januari 2015 aanhangig zijn gemaakt, is het nieuwe arbitragerecht van toepassing (lid 1) (en dan is het hof bevoegd om kennis te nemen van een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis). Daarop voortbouwend bepaalt lid 3 dat het nieuwe arbitragerecht ook van toepassing is op zaken die, kort gezegd, naar aanleiding van dergelijke arbitrages bij de rechter aanhangig zijn gemaakt.

Op arbitrages die vóór 1 januari 2015 aanhangig zijn gemaakt, is het oude arbitragerecht van toepassing (lid 2) (en dan is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van een dergelijk verzoek). Daarop voortbouwend bepaalt lid 4 dat het oude arbitragerecht ook van toepassing is op zaken die, kort gezegd, naar aanleiding van dergelijke arbitrages bij de rechter aanhangig zijn gemaakt.

Terugkerend naar het cassatieberoep van Kazachstan: volgens de Hoge Raad klaagt Kazachstan terecht dat het hof op basis van het hiervoor weergegeven overgangsrecht niet bevoegd was kennis te nemen van het verzoek van [verweerders] (rov. 4.1.4-4.1.5).

De Hoge Raad overweegt dat – anders dan het hof had geoordeeld – ook buitenlandse arbitrages vallen onder art. IV Wet modernisering arbitragerecht. Daarom geldt dat de rechtbank Amsterdam (en niet het hof) op grond van art. IV Wet modernisering arbitragerecht absoluut bevoegd is om het verzoek van [verweerders] tot erkenning en tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen te behandelen en te beslissen (art. 1075 (oud) Rv dan wel art. 1076 lid 6 (oud) Rv).

De Hoge Raad verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam.

Share This