Selecteer een pagina

HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:164

Bij een conservatoir leveringsbeslag op een merkrecht is art. 453a Rv van toepassing. Een vervreemding die tot stand is gekomen nadat het beslag is gelegd, kan de beslaglegger dan ook niet worden tegengeworpen. Daarvoor is wel vereist dat de beslaglegger het beslag vervolgt. Dat kan de beslaglegger doen door een eis in de hoofdzaak in te stellen. Die eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld tegen de schuldenaar van de beslaglegger. Daarnaast kan ook de derde-verkrijger  bij de hoofdzaak worden betrokken, maar dat hoeft niet. 

Earth Concepts meent dat zij op grond van een overeenkomst recht heeft op levering van enkele Benelux-merken door Upstream. Ter bewaring van haar recht heeft zij ten laste van Upstream conservatoir leveringsbeslag gelegd op die merken. Dat is mogelijk op grond van art. 730 Rv in samenhang met art. 474bb Rv. Nadat dit beslag is gelegd, heeft Upstream de merkrechten vervreemd aan EWI c.s.

In deze procedure vordert Earth Concepts veroordeling van Upstream tot nakoming van haar contractuele verplichting tot levering van de merkrechten. Het gerechtshof Amsterdam heeft die vordering afgewezen. Volgens het hof valt niet in te zien hoe de vordering van Earth Concepts kan worden toegewezen, nu Upstream de merkrechten al heeft overgedragen aan EWI c.s. en dus niet meer aan Earth Concepts kan leveren. Tegen dit oordeel wordt in cassatie opgekomen.

Mag de beslaglegger een latere overdracht negeren?

In cassatie is als eerste aan de orde of art. 453a Rv van toepassing is op een conservatoir beslag dat op grond van art. 730 Rv in samenhang met art. 474bb Rv is gelegd. Dat is van belang, omdat uit art. 453a lid 1 Rv volgt dat een vervreemding die tot stand is gekomen nádat het beslag is gelegd, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen. Als art. 453a Rv van toepassing is, kan de beslaglegger de latere overdracht van de zaak waarop beslag is gelegd dus negeren.

De Hoge Raad komt tot het oordeel dat art. 453a Rv inderdaad van toepassing is op een dergelijk conservatoir beslag. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar de volgende redenering uit de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (onder 2.29):

  • Op een conservatoir leveringsbeslag zijn 730-737 Rv (en de algemene bepalingen van art. 700-710a Rv) van toepassing.
  • 734 lid 1 Rv bepaalt dat op een dergelijk conservatoir leveringsbeslag de voorschriften betreffende conservatoir beslag tot verhaal van geldvorderingen van overeenkomstige toepassing zijn.
  • De algemene bepaling van 702 lid 1 Rv bepaalt dat een conservatoir beslag wordt gelegd met overeenkomstige toepassing van de voorschriften, geldende voor het leggen van executoriaal beslag tot verhaal van een geldvordering op een goed van de soort als in beslag genomen wordt, tenzij de wet anders bepaalt.
  • Een Beneluxmerk betreft een goed als bedoeld in art. 474bb Rv, zijnde onder meer rechten waarvan de executie niet elders is geregeld, waaronder merkrechten.
  • 711 Rv (conservatoir beslag in handen van de schuldenaar) is blijkens het derde lid van dat artikel mede van toepassing op de goederen bedoeld in art. 474bb Rv.
  • Op het in art. 711 Rv bedoelde beslag is volgens 712 Rv de bepaling van art. 453a Rv van overeenkomstige toepassing.

De beslaglegger mag bij een conservatoir beslag dat op grond van art. 730 Rv in samenhang met art. 474bb Rv is gelegd, de latere overdracht van de zaak dus negeren. Ondanks de latere overdracht kan de beslaglegger nog steeds verhaal nemen op de goederen waarop het beslag rust.

Uit een eerder arrest van de Hoge Raad volgt dat daarvoor wel is vereist dat de beslaglegger het beslag vervolgt. Bij een conservatoir beslag betekent dit dat de beslaglegger binnen de gestelde termijn van art. 700 lid 3 Rv een eis in de hoofdzaak moet instellen, én dat die eis moet worden toegewezen.

Tegen wie moet de eis in de hoofzaak worden ingesteld?

De vraag is dan tegen wie de beslaglegger de eis in de hoofdzaak moet instellen: tegen zijn schuldenaar, tegen de derde-verkrijger of tegen beiden?

De Hoge Raad beslist als volgt:

“Nu in de hoofdzaak de gegrondheid van het door de beslaglegger ingeroepen vorderingsrecht dient te worden beoordeeld, dient de beslaglegger de eis in beginsel in te stellen tegen zijn schuldenaar. Dat geldt ook in een geval waarin het beslag strekt tot levering en de beslaglegger ermee bekend is dat de schuldenaar het beslagen goed in weerwil van het beslag aan een derde heeft vervreemd. De vordering kan in dat geval strekken tot vaststelling dat de beslaglegger jegens zijn schuldenaar een vordering tot levering van het beslagen goed heeft. Zo nodig dient de rechter de vordering aldus te verstaan.”

De beslaglegger hoeft niet daarnaast ook de derde-verkrijger in de hoofdzaak te betrekken. Dat neemt niet weg dat het voordelen kan hebben om zowel de schuldenaar áls de derde-verkrijger in de hoofdzaak betrekken. Dan kan immers in die procedure direct worden uitgemaakt (i) wiens recht op levering voor moet gaan, dat van de beslaglegger of dat van de derde-verkrijger (art. 3:298 BW), en (ii) of de derde-verkrijger te goede trouw is en zich kan beroepen op art. 453a lid 2 Rv. De Hoge Raad wijst in dit verband erop dat er diverse mogelijkheden bestaan om te bewerkstelligen dat ook de derde-verkrijger in de hoofzaak wordt betrokken. Zo kan de beslaglegger er zelf voor kiezen om de derde-verkrijger in de hoofdzaak te betrekken, maar ook kan de derde-verkrijger zich voegen of tussenkomen.

Voortzetting van de procedure

Het voorgaande betekent dat het oordeel van het hof blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Earth Concepts heeft haar vordering terecht ingesteld tegen Upstream. Daaraan doet niet af dat zij wist van de – na het beslag daterende –  vervreemding door Upstream aan EWI c.s. De vordering  van Earth Concepts strekt ertoe te doen vaststellen of Earth Concepts tegenover Upstream een recht op levering van de merkrechten had (althans, zo had het hof de vordering van Earth Concepts naar het oordeel van de Hoge Raad in ieder geval moeten begrijpen).

De Hoge Raad wijst nog erop dat Upstream tijdens de procedure is opgehouden te bestaan. Dat staat naar het oordeel van de Hoge Raad echter niet eraan in de weg dat de procedure tegen haar wordt voortgezet.

Met die laatste beslissing komt de Hoge Raad terug van zijn arrest in de zaak Promneftstroy/Yukos c.s. ( besproken in CB 2015-169) In dat arrest had de Hoge Raad overwogen dat als een rechtspersoon ophoudt te bestaan terwijl de hoofdzaak aanhangig is, de beslaglegger de procedure dient voort te zetten tegen de verkrijger van het beslagen goed. Het was niet volledig duidelijk hoe die beslissing zich verhield tot eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad (zie CB 2013-13), waarin juist was geoordeeld dat voortzetting van de procedure tegen een rechtspersoon die tijdens de procedure ophoudt te bestaan mogelijk was. Met dit arrest heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat de met die eerdere jurisprudentie ingezette lijn de juiste is.

Share This