HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629 (Morning Star/Republiek Gabon)

De aanname dat iemand in ieder geval op de hoogte geraakt van een verstekvonnis in geval van tenuitvoerlegging geldt niet indien de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis geschiedt door uitbetaling van hetgeen een derde in het kader van een onder hem gelegd beslag heeft verklaard aan de veroordeelde verschuldigd te zijn, terwijl achteraf blijkt dat die derde in het geheel niets aan de veroordeelde verschuldigd was. Nu in een dergelijk geval de mogelijkheid bestaat dat de verzettermijn is verstreken voordat de veroordeelde met het verstekvonnis bekend is geraakt, is toepassing van art. 143 lid 3 in verbinding met art. 144 Rv alsdan niet gerechtvaardigd.

Deze zaak, tussen een Amerikaans bedrijf als eiseres in cassatie en de Republiek Gabon als verweerster in cassatie, draaide om de vraag wanneer die termijn voor verzet begint te lopen. Art. 143 lid 2 en art. 143 lid 3 in verbinding met art. 144 Rv geven daarvoor regels. Kort gezegd komt het erop neer dat die termijn aanvangt door (i) betekening van het verstekvonnis in persoon, door (ii) een daad van bekendheid met het verstekvonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging door de bij verstek veroordeelde persoon, of (iii) op de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd. In deze zaak ging het om de situatie onder iii: was door tenuitvoerlegging van het verstekvonnis de termijn voor verzet gaan lopen?

De feiten

Het Amerikaanse bedrijf Morning Star had ten laste van de Republiek Gabon conservatoir beslag gelegd onder een stichting, Stichting Administratiekantoor NSS en een naamloze vennootschap in liquidatie, NSS. In de derdenverklaringen (art. 476a Rv) was meegedeeld dat de Republiek Gabon houder was van door het Administratiekantoor uitgegeven certificaten van aandelen in NSS respectievelijk van aandelen NSS. Verder was meegedeeld dat waarschijnlijk liquidatie-uitkeringen aan de Republiek Gabon verschuldigd zouden worden.

Vervolgens heeft Morning Star de Republiek Gabon gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en schadevergoeding gevorderd in verband met problemen rond een overeenkomst over afname van schroot. De Republiek Gabon is niet in het geding verschenen en de rechtbank heeft de vordering van Morning Star bij verstekvonnis van 14 december 2005 toegewezen. Na betekening van dit vonnis hebben de vereffenaars op 22 februari 2006 aan Morning Star een bedrag van ruim 26.000 dollar betaald uit hoofde van de derdenbeslagen.

Rechtbank en hof

De Republiek Gabon is bij dagvaarding van 4 februari 2009 tegen het verstekvonnis in verzet gekomen. De rechtbank Amsterdam heeft de Republiek niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verzettermijn (van acht weken, zie art. 143 lid 2, laatste volzin Rv) op 22 februari 2006, de dag van betaling door de vereffenaars, was gaan lopen. Op die datum was volgens de rechtbank sprake van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis in de zin van art. 144 onder b Rv. Voor het geval van derdenbeslag op een vordering is daar immers bepaald dat een verstekvonnis wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de uitbetaling aan de beslaglegger. Het verzet was daarom niet tijdig ingesteld. Naar de letter van de wet was dit juist.

Niettemin vernietigde het hof Amsterdam dit vonnis, verklaarde de Republiek Gabon ontvankelijk in haar verzet, vernietigde het verstekvonnis en bepaalde dat de Nederlandse rechter onbevoegd is kennis te nemen van de vordering van Morning Star tegen de Republiek Gabon. Wat veroorzaakte deze ommekeer?

De Republiek Gabon had in appel gemotiveerd gesteld dat het beslag geen doel had getroffen omdat niet zij, maar een zelfstandige rechtspersoon op het gebied van post en telecommunicatie in Gabon, rechthebbende was op de in de derdenverklaringen genoemde liquidatie-uitkeringen. Het hof heeft dit bewezen geacht. Achteraf bezien bleek het beslag daarom geen doel te hebben getroffen. In de kern kwam ’s hofs redenering er op neer dat de verzettermijn niet op 26 februari 2006 is gaan lopen, omdat de door de vereffenaars verrichte betalingen geen uitbetalingen zijn geweest uit hoofde van de derdenbeslagen, zodat geen sprake is geweest van tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 144 onder b Rv.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad laat dit arrest in stand, maar benadert de kwestie, in lijn met zijn eerdere rechtspraak die hij noemt in rov. 3.6.2, op iets andere wijze dan het hof.

De Hoge Raad wijst er allereerst op dat de regeling van de verzettermijn berust op een afweging van enerzijds het belang dat een oorspronkelijk gedaagde niet gebonden wordt aan een hem niet bekend veroordelend vonnis, en anderzijds het belang van de oorspronkelijk eiser dat op enig met een voldoende mate van zekerheid te bepalen moment de veroordeling bij verstek onherroepelijk wordt. Bij de toepassing van de regeling van de verzettermijnen in een concreet geval mag het recht van de beide betrokken partijen op toegang tot de rechter niet in de kern worden aangetast. Uit de wetsgeschiedenis blijkt volgens de Hoge Raad verder dat met art. 143 lid 3 Rv is beoogd, mede tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM, de toegang tot de rechter in geval van een verstekvonnis beter te waarborgen door – buiten de gevallen waarin sprake is van, kort gezegd, betekening in persoon of een daad van bekendheid (art. 143 lid 2 Rv) – de verzettermijn, anders dan voorheen, niet te laten eindigen, maar te laten ingaan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. De Hoge Raad overweegt dan:

“3.6.4 In gevallen waarin de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis geschiedt ten laste van een goed van de veroordeelde als bedoeld in art. 3:276 BW, dan wel ten laste van een goed van een derde dat is, respectievelijk die zich heeft, verbonden voor de schuld van de veroordeelde, dan wel ten laste van een goed van een derde waarvan de veroordeelde het genot heeft, kan in de regel worden aangenomen dat de veroordeelde op de hoogte raakt van die tenuitvoerlegging en daardoor kennis neemt van dat vonnis, indien dat niet al voordien was gebeurd. In dergelijke gevallen is toepassing van art. 143 lid 3 Rv in beginsel gerechtvaardigd.

Deze aanname geldt evenwel niet voor een geval als het onderhavige, waarin de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis geschiedt door uitbetaling van hetgeen een derde in het kader van een onder hem gelegd beslag heeft verklaard aan de veroordeelde verschuldigd te zijn, terwijl achteraf blijkt dat die derde in het geheel niets aan de veroordeelde verschuldigd was. Nu in een dergelijk geval de mogelijkheid bestaat dat de verzettermijn is verstreken voordat de veroordeelde met het verstekvonnis bekend is geraakt, is toepassing van art. 143 lid 3 in verbinding met art. 144 Rv alsdan niet gerechtvaardigd.”

De Hoge Raad hanteert dus een meer procesrechtelijke, zo men wil principiële benadering dan het hof.

Share This