HR 20 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:921

Het oordeel van de rechter dat sprake was van samenwonen als waren zij gehuwd (art. 1:160 BW) is niet vatbaar voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW. Met betrekking tot dit oordeel geldt dus niet de voor alimentatiezaken aanvaarde regel dat de rechter de zaak na vernietiging en verwijzing in volle omvang moet beoordelen met in achtneming van alle op dat moment bestaande omstandigheden (zoals in casu het gegeven dat de eerdere samenwoning inmiddels weer is beëindigd). Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de uit art. 1:160 BW voorvloeiende sanctie doet daaraan niet af.

Eerste cassatieprocedure

In dit alimentatiegeschil heeft de vrouw haar zaak voor de tweede keer aan de Hoge Raad voorgelegd. In de eerste cassatieprocedure (zie HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1246, CB 2013-194) stond de maatstaf van art. 1:160 BW (‘samenwonen als waren zij gehuwd’) centraal. De Hoge Raad benadrukte destijds dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd, vanwege het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de sanctie ervan. In het licht daarvan werd de beschikking van het hof vernietigd. Het hof had weliswaar geoordeeld dat de vrouw samenwoonde met een ander, maar had in zijn oordeel niet betrokken of ook sprake was van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding tussen de vrouw en de ander.

Dat aan deze vereisten afzonderlijk moet worden getoetst, werd recent nog eens bevestigd in HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724, CB 2016-84.

Procedure na verwijzing

De wederzijdse verzorging en de gemeenschappelijke huishouding dienden dus te worden beoordeeld door het verwijzingshof. Ten overstaan van dit hof beriep de vrouw zich echter ook op het feit dat de samenwoning met die ander inmiddels was beëindigd. De vrouw stuurde daarom aan op een heroverweging ten aanzien van dit vereiste. Volgens de vrouw mocht deze omstandigheid door de verwijzingsrechter worden meegewogen in zijn beslissing. Dat zij in de eerste cassatieprocedure dit oordeel van het hof tevergeefs had bestreden (de motiveringsklacht werd ongegrond bevonden) kon daaraan niet in de weg staan, omdat de verwijzingsrechter in alimentatiezaken het geschil in volle omvang dient te beoordelen en daarmee rekening mag (en moet) houden met alle op dat moment bestaande en relevante omstandigheden. Anders dan de hoofdregel in niet-alimentatiezaken, geldt dan ook dat de verwijzingsrechter ook acht slaan op nieuwe feiten waarop eerst na verwijzing een beroep kon worden gedaan.

Het hof oordeelde echter dat deze verruimde mogelijkheid om ook na verwijzing nieuwe grieven, grondslagen of feiten aan te dragen, niet ziet op oordelen over de vraag of partijen samenwonen in de zin van art. 1:160 BW, nu deze feiten en omstandigheden geen betrekking hebben op de wettelijke maatstaven als bedoeld in art. 1:401 BW (t.w.: draagkracht en behoefte). En dus overwoog het hof als volgt:

“3.11 (…) Voorts vindt het betoog van de vrouw dat de vraag naar haar samenwoning ex nunc moet worden beoordeeld geen steun in het recht. Indien op enig moment vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vereisten van artikel 1:160 BW is voldaan, eindigt op dat moment het recht van de vrouw op levensonderhoud van de man. Dat de vrouw op dit moment niet meer samenwoont, doet daaraan niet af.”

Tweede cassatieprocedure

In cassatie tracht de vrouw het tij te keren. Zij beroept zich wederom op de in alimentatiezaken geldende ruimere mogelijkheden om na cassatie en verwijzing met nieuwe feiten en omstandigheden rekening te houden en betoogt dat dit, mede gelet op het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de sanctie die in art. 1:160 BW besloten ligt, óók geldt voor de vraag of de vrouw is gaan samenwonen als bedoeld in die bepaling. Dit aspect zou daarom ex nunc beoordeeld moeten worden, dus op basis van de na verwijzing bestaande, actuele feitelijke situatie.

De vrouw krijgt nul op het rekest. Weliswaar geldt in alimentatiezaken een verruiming ten opzichte van de algemene regels voor de procedure na verwijzing en cassatie, zo overweegt de Hoge Raad in rov. 3.5.2 (met verwijzing naar HR 4 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2801). Maar de Hoge Raad vervolgt:

“3.4.3 (…) [deze ratio] gaat echter niet op voor zover in cassatie niet of tevergeefs is opgekomen tegen het oordeel dat de alimentatiegerechtigde samenleeft of heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd in de zin van art. 1:160 BW. Een beslissing over die vraag gaat immers vooraf aan de eventuele vaststelling van de alimentatie, en is zelf niet vatbaar voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW.”

En dus heeft het verwijzingshof terecht vastgehouden aan het – in cassatie tevergeefs bestreden – oordeel van het eerste hof dat de vrouw ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking samenwoonde met een ander. De Hoge Raad benadrukt tot slot dat het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de art. 1:160-sanctie aan het voorgaande niet kan afdoen.

Nu de klachten die gericht waren tegen de vaststelling van het verwijzingshof dat ook aan de overige vereisten voor toepassing van art. 1:160 BW was voldaan, met toepassing van art. 81 RO zijn verworpen, staat vast dat het recht van de vrouw op alimentatie op de voet van art. 1:160 BW is geëindigd.

Processuele status aparte beperkt tot ‘wettelijke maatstaven’

Deze beschikking van de Hoge Raad is in lijn met HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0356, CB 2013-94. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat een beslissing tot beëindiging van de alimentatie wegens wangedrag van de alimentatiegerechtigde niet vatbaar is voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW. Daarom komt aan dit oordeel in beginsel gezag van gewijsde toe in een wijzigingsprocedure. Ten aanzien van art. 1:160 BW vat A-G Wesseling-Van Gent het kernachtig samen in onderdeel 2.9 van haar conclusie voor de hier besproken beschikking:

“Bij de toepassing van art. 1:160 BW gaat het niet om beoordeling van actuele gegevens over draagkracht en behoefte, maar over het oordeel of de alimentatiegerechtigde met een ander samenwoont als waren zij gehuwd. Als dat het geval is, verbindt de wet daaraan het rechtsgevolg dat de alimentatieplicht onmiddellijk vervalt.”

De ruime wijzigingsmogelijkheden – en de geringe processuele beperkingen daarvoor – zien dus op feiten en omstandigheden die de wettelijke maatstaven (draagkracht en behoefte) betreffen. Wordt het recht op alimentatie op andere gronden aangetast (wangedrag; samenwonen als waren zij gehuwd), dan gelden de reguliere processuele beperkingen.

Share This