Selecteer een pagina

HR 27 januari 2012, LJN ECLI:NL:HR:2012:BU6510

De rechter naar wie het geding door de Hoge Raad is verwezen, dient het geding zelf verder te behandelen en af te doen zonder dit weer te verwijzen. Dit is slechts anders indien de Hoge Raad bij zijn verwijzing met zoveel woorden de mogelijkheid tot verdere verwijzing heeft geopend. Omdat de Hoge Raad dat in dit geval in de eerste cassatieprocedure niet had gedaan, had het Amsterdamse hof het geding niet mogen terugverwijzen naar de rechtbank Rotterdam.

Partijen zijn ex-echtelieden die onder huwelijkse voorwaarden getrouwd waren. De huwelijkse voorwaarden bevatten een periodiek verrekenbeding dat – zoals geregeld voorkomt – niet jaarlijks is nagekomen. Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap strijden partijen om de vraag of de vrouw mede gerechtigd is tot het rendement van de aandelen die de man heeft in [A] Beheer BV. De man, in dienst bij de BV, had de aandelen gekocht met een lening van fl. 30.000. De aflossing van deze schuld valt uiteen in twee delen. Fl. 11.000 (dus 11/30ste deel) werd afgelost uit salaris en dividend. Het restant (fl. 19.000) werd afgelost door de vrouw, uit een smartengelduitkering die zij in 1991 had ontvangen. In de verdeling stelt zij zich op het standpunt dat de aandelen zijn gefinancierd met ‘inkomsten’ in de zin van het verrekenbeding, zodat zij gerechtigd is tot de helft van de waarde van de aandelen. De man is het daar niet mee eens en betoogt onder meer dat de smartengelduitkering niet als ‘inkomsten’ kan worden aangemerkt.

Van Rotterdam naar Den Haag (2x)…

De rechtsgang tussen partijen begint in 1998 in Rotterdam. In een tussenvonnis uit 1999 kwalificeert de rechtbank het door de vrouw ontvangen smartengeld als ‘inkomsten’ in de zin van het verrekenbeding. Het resultaat van de belegging van de ‘inkomsten’ betrof daarom de gehele waarde van de aandelen van de man de BV en niet slechts 11/30ste deel daarvan. Het Hof Den Haag denkt daar anders over en oordeelt – in tussentijds appel – dat het smartengeld niet als ‘inkomsten’ in de zin van het verrekenbeding heeft te gelden. Omdat de man de aankoop van de aandelen met geleend geld heeft gefinancierd, en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de financiering ten laste van zijn privévermogen is gekomen, kunnen de aandelen in zoverre (dus voor 11/30ste deel) worden aangemerkt als een gemeenschappelijke besparing en belegging, waarvan het rendement dient toe te komen aan beide partijen. De zaak wordt vervolgens aan de Hoge Raad voorgelegd, die het arrest vernietigt en de zaak verwijst naar het Hof Amsterdam.

…via Amsterdam…

In de verwijzingsprocedure voert de vrouw aan dat de man niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de lening heeft afgelost en hoe de rekening-courantverhouding tussen de BV en de man zich na 1998 heeft ontwikkeld. Het Amsterdamse hof gaat aan deze stelling voorbij omdat na verwijzing door de Hoge Raad de rechtsstrijd tussen partijen niet kan worden uitgebreid. Vóór verwijzing was al onbetwist vastgesteld dat van 1989 tot 1991 f 11.000,-, zijnde 11/30ste deel van de schuld, in rekening-courant, was afgelost uit salaris en dividend dat de man had ontvangen als directeur van de BV. Het hof herhaalt dat het smartengeld niet als inkomen kan worden aangemerkt en stelt vast dat de man dit bedrag nominaal aan de vrouw moest terugbetalen. Het hof komt tot de slotsom dat de waarde van de aandelen slechts in de verrekening behoort te worden betrokken voor zover de lening is afgelost uit overgespaarde ‘inkomsten’ als bedoeld in het verrekenbeding; dit deel bedraagt 11/30ste. Het Hof Amsterdam vervolgt dat het, gezien de fase waarin de procedure zich thans bevindt en de vragen die nog bij de rechtbank voorliggen, niet opportuun is de verdere behandeling van de zaak naar zich toe te trekken. Het hof verwijst in het dictum de zaak ter verdere afhandeling en beslissing naar de rechtbank te Rotterdam.

…weer terug naar Rotterdam en Den Haag (2x)…

De rechtbank Rotterdam beveelt een deskundigenbericht met betrekking tot de waarde van de aandelen. Op basis van dit deskundigenbericht wijst de rechtbank in 2008 eindvonnis: de vordering van de vrouw wordt toegewezen tot ruim € 18.000. Wederom, ditmaal door de vrouw, wordt hoger beroep ingesteld bij het Hof Den Haag. In appel vordert zij betaling van wettelijke rente en alleen op dit punt wordt het vonnis van de rechtbank vernietigd. De vrouw stelt cassatieberoep in.

…of toch niet?

Na al deze gerechtelijke omzwervingen blijkt echter in deze tweede cassatieronde dat het laatste rondje “Rotterdam/Den Haag” tevergeefs is geweest. De beslissing van Hof Amsterdam om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank Rotterdam is namelijk in strijd met art. 424 Rv. Uit deze bepaling volgt dat de rechter naar wie het geding door de Hoge Raad is verwezen, gehouden is het geding zelf verder te behandelen en af te doen zonder dit weer te verwijzen. Dit is slechts anders indien de Hoge Raad bij zijn verwijzing met zoveel woorden de mogelijkheid tot verdere verwijzing heeft geopend, maar dat had de Hoge Raad in de eerste cassatieprocedure niet gedaan. Deze regel, die terug gaat tot HR 1 december 1939, NJ 1940, 24 en ook – meer recent – aan de orde kwam in HR 27 januari 1995, NJ 1995, 530 en HR 24 december 2010, NJ 2011/16, geldt niet alleen als het vernietigde vonnis een eindvonnis betreft, maar óók – zoals hier – als dit een tussenvonnis betreft. Kortom: de openstaande vragen waar het Hof Amsterdam aan refereerde, moest het zelf beantwoorden.

En nu op naar Arnhem

Door de miskenning van art. 424 Rv blijken de uitspraken die in de tweede ronde Rotterdam/Den Haag zijn gewezen zonder rechtsgrond. Deze uitspraken zijn door de Hoge Raad vernietigd. Ook de uitspraak van Hof Amsterdam is vernietigd, maar slechts voor zover daarin de terugverwijzing naar rechtbank Rotterdam werd uitgesproken. Ook in deze zaak (vergelijk de pleidooizaken van 27 januari 2012, hier besproken op Cassatieblog) leidt de door opportuniteit ingegeven beslissing van het Amsterdamse hof – achteraf bezien – juist tot vertraging van het geding. De omzwervingen langs Rotterdam, Den Haag-Prins Clauslaan en Den Haag-Kazernestraat hebben partijen inhoudelijk dus niet veel dichter bij de oplossing van hun geschil gebracht. A-G Langemeijer besteedt kort aandacht aan dit spanningsveld tussen de efficiënte procesvoering op individueel niveau en het belang van handhaving van art. 424 Rv op macroniveau:

“2.4. De man heeft in cassatie het verweer gevoerd dat de vrouw niet een in rechte te respecteren belang bij deze klacht heeft omdat een cassatie tot méér instanties en hogere proceskosten zal leiden en het doel van deze regel voorbijschiet. Dat verweer gaat niet op. Op microniveau, in ieder individueel geval waarin een gerechtshof het verbod van doorverwijzing heeft geschonden, zal een vernietiging van diens beslissing leiden tot méér instanties (dan wanneer een vernietiging achterwege zou blijven) en tot meer kosten aanleiding geven. Op macroniveau echter, leidt een strikte handhaving van de in alinea 2.2 genoemde rechtsregel tot een beperking van de duur van procedures en van het aantal instanties dat daarbij is betrokken.”

In ieder geval staat nu vast dat de vrouw recht heeft op 11/30ste deel van de waarde van die aandelen. Met dit (tweede) cassatieberoep staat namelijk buiten twijfel (zie rov. 4.2.3) dat de lening van de man slechts voor dat deel is afgelost met geld uit overgespaarde inkomsten, omdat de smartengelduitkering niet kan worden aangemerkt als overgespaarde inkomsten in de zin van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zullen zich nu tot het Arnhemse hof moeten wenden, dat alsnog de waarde van de aandelen zal moeten bepalen.

De vrouw is in cassatie bijgestaan door Ans van Duijvendijk-Brand.

Share This