Selecteer een pagina

HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2020 (Atrecht Holding/Rabobank Noord Oost Veluwe)

De heffing van griffierechten is weliswaar te beschouwen als een beperking van het recht op toegang tot de rechter, maar die beperking is niet onverenigbaar met art. 6 EVRM zolang het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt aangetast. In dit geval is niet gebleken dat verzoekster tot cassatie (die door rechtbank en hof failliet is verklaard) niet in staat is het verschuldigde griffierecht te voldoen.

Deze week opnieuw een arrest in de nog steeds groeiende reeks uitspraken van de Hoge Raad over de toepassing van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz). Ditmaal gaat het om de vennootschap Atrecht Holding (hierna: Atrecht), die op verzoek van de Rabobank in staat van faillissement is verklaard door de rechtbank. De faillietverklaring wordt in hoger beroep bekrachtigd door het hof. Atrecht stelt hiertegen cassatieberoep in, maar betaalt het in cassatie verschuldigde griffierecht (€ 710) niet. Zij beroept zich erop dat uit het financieel verslag van de faillissementscurator blijkt dat zij niet in staat is dit griffierecht te voldoen. De gevolgen van het niet betalen van het griffierecht zouden daarom buiten toepassing moeten blijven wegens strijd met art. 6 EVRM.

Naar aanleiding van dit betoog stelt de Hoge Raad het volgende voorop:

“Zoals, met verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM, is uiteengezet onder 2.11 – 2.14 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer voor HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3883 [eerder hier besproken op Cassatieblog], is de in art. 6 lid 1 EVRM geregelde vrijheid van toegang tot de rechter niet absoluut, nu de overheid aan die vrijheid beperkingen mag stellen die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn ter bereiking van een gerechtvaardigd doel. Griffierechten worden geheven ter bestrijding van de voor de overheid aan rechtspraak verbonden kosten en, als het gaat om griffierechten voor de hoger beroeps- en de cassatie-instantie, tevens als financiële prikkel gericht op het voorkomen van onnodig gebruik van de rechtspraak. Dat is als een gerechtvaardigd doel aan te merken.

De heffing van griffierechten is derhalve weliswaar te beschouwen als een beperking van het recht op toegang tot de rechter, maar die beperking is niet onverenigbaar met art. 6 EVRM, zolang het daardoor gegarandeerde recht niet in zijn kern wordt aangetast.”

Van dit laatste is naar het oordeel van de Hoge Raad in dit geval geen sprake. Niet gebleken is volgens de Hoge Raad dat Atrecht niet in staat is het verschuldigde griffierecht van € 710 te voldoen, eventueel door bijdragen van belanghebbenden zoals bestuurders of aandeelhouders.

De uitspraak van de Hoge Raad is zeker niet verrassend, want ligt in lijn met de rechtspraak van het EHRM (zie bijvoorbeeld EHRM 19 juni 2001 (Kreuz/Polen)). Uit die rechtspraak volgt dat het heffen van griffierecht niet per definitie een ontoelaatbare beperking op het recht op toegang tot de rechter vormt. Dit kan echter in een concreet geval anders zijn. Een omstandigheid die bij die toetsing een belangrijke rol speelt, is uiteraard de vraag in hoeverre de betrokken partij in staat is het griffierecht te betalen.

Het valt op dat de Hoge Raad bij die toetsing in dit geval ook acht lijkt te slaan op de mogelijkheid van betaling van het griffierecht door derden: hij wijst immers op de mogelijkheid dat “andere belanghebbenden zoals bestuurders of aandeelhouders” het griffierecht van Atrecht zouden kunnen voldoen. Moeten we hieruit afleiden dat een partij zich pas kan beroepen op onvoldoende draagkracht voor betaling van het griffierecht – en daarmee op strijd met het recht op toegang tot de rechter – als vaststaat dat er ook geen anderen zijn die het griffierecht voor haar zouden kunnen betalen (of eventueel voorschieten)? Dat lijkt nog niet zo eenvoudig te toetsen. Ook niet als alleen zou moeten worden gekeken naar de mogelijkheid van betaling door “belanghebbenden”, want wie zijn in een concreet geval eigenlijk de belanghebbenden bij het doorprocederen van de armlastige partij? De Hoge Raad wijst hier op de bestuurders en aandeelhouders van de failliet verklaarde vennootschap, maar het is nog de vraag of zij in alle gevallen (allemaal) in die zin “belang” hebben bij het doorprocederen van de failliete vennootschap, dat van hen verlangd moet worden het daarmee gemoeide griffierecht voor hun rekening te nemen. Anderzijds is een griffierecht van € 710 voor een beetje bestuurder/aandeelhouder natuurlijk nog wel te dragen.

Overigens lijkt het er in dit geval meer op dat de Hoge Raad de stelling van Atrecht dat zij het griffierecht niet kon betalen, gewoon niet zo geloofwaardig vond. De Hoge Raad vermeldt bij zijn oordeel uitdrukkelijk dat Atrecht “ook in cassatie nog voortbouwt op haar betwisting dat zij in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen” (lees: kennelijk zelf van mening is dat zij nog wel geld heeft om haar schulden te voldoen). In elk geval valt uit de uitspraak van de Hoge Raad af te leiden dat een betoog dat de betrokken partij echt niet in staat is het griffierecht te betalen, stevig onderbouwd zal moeten zijn, wil het kunnen slagen.

Share This