Selecteer een pagina

HR 30 november 2012, LJN BX7495 (X/Lotto)

Voor de procedure tot herroeping van een Arubaanse beschikking inzake de ontbinding van een arbeidsovereenkomst, geldt – anders dan voor het Nederlandse equivalent – niet de in art. 80 lid 1 RO geregelde beperking van cassatiegronden. Aruba en Nederland kennen verschillende stelsels van rechterlijke organisatie terwijl ook de openstelling tot cassatietoetsing op verschillende wijze is geregeld. De beantwoording van de vraag in hoeverre beslissingen van de Arubaanse rechter in cassatie kunnen worden getoetst, behoort dus niet te worden bepaald door het antwoord op de vraag in hoeverre cassatietoetsing mogelijk zou zijn in een vergelijkbare zaak waarover in Nederland is geprocedeerd.

Het buitengewone rechtsmiddel herroeping is in Aruba geregeld in art. 382 e.v. Rv Aruba (in verbinding met art. 429r indien het een (zuivere) verzoekschriftprocedure betreft). Nederland kent in art. 382 e.v. Rv (in verbinding met art. 390 en 391 Rv) een vergelijkbare regeling. Ingevolge art. 382 kan een vonnis of beschikking dat in kracht van gewijsde is gegaan op vordering/verzoek van een partij worden herroepen indien (a) het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd, (b) het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of (c) de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden. Indien de rechter de voor herroeping aangevoerde grond of gronden juist bevindt, heropent hij het geding (art. 387) en beoordeelt hij de zaak in zoverre opnieuw (art. 389). Een vonnis of beschikking waarin beslist wordt of heropening van het geding plaatsvindt, is niet vatbaar voor hoger beroep (art. 388 lid 2). Tegen een dergelijke uitspraak staat echter wel cassatieberoep open.

In deze zaak heeft een voormalige werknemer van de Arubaanse Lotto herroeping verzocht van een beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba (het Gerecht), waarbij diens arbeidsovereenkomst op grond van art. 1615w BW Aruba is ontbonden. Het Gerecht in eerste aanleg achtte geen van de aangedragen gronden voor herroeping juist en heeft het verzoek tot herroeping afgewezen. De werknemer heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld.

In de cassatieprocedure rijst de vraag of de cassatietoetsing in deze zaak is onderworpen aan de beperkingen van art. 80 lid 1 RO, wat zou betekenen dat in beginsel geen rechtsklachten tegen de uitspraak van het Gerecht kunnen worden aangevoerd. Lotto had betoogd dat dit het geval is, aangezien een beschikking inzake de ontbinding van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht wordt gegeven door de kantonrechter en een tegen een dergelijke beschikking gericht herroepingsverzoek eveneens door de kantonrechter wordt beoordeeld, zodat daarvoor de beperkte cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO gelden (zie bijv. HR 21 september 2012, LJN BW4896). Hoewel Aruba geen kantongerecht(en) kent, zou voor een Arubaanse herroepingszaak ten aanzien van een ontbindingsbeschikking – mede gelet op het concordantiebeginsel – hetzelfde gelden.

Anders dan A-G mr. Wesseling-van Gent, deelt de Hoge Raad deze opvatting niet:

“De bepaling van art. 1 lid 1 van de Rijkswet cassatierechtspraak dat de Hoge Raad de burgerlijke zaken van (onder meer) Aruba in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als burgerlijke zaken in Nederland behandelt en beslist voor zover in de Rijkswet cassatierechtspraak niet anders is bepaald, brengt niet mee dat in een geval als het onderhavige de beperking van de cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO geldt. De in Aruba bestaande rechterlijke organisatie, zoals die is ingericht volgens de in 2010 gehandhaafde Eenvormige Landsverordening op de Rechterlijke Organisatie 1985, kent geen kantonrechter zoals die in de Nederlandse rechterlijke organisatie voorkomt. Art. 2 van de Rijkswet cassatierechtspraak beperkt de mogelijkheid van cassatieberoep in Arubaanse zaken met een gering financieel belang, terwijl die beperking in Nederland op geheel andere wijze is geregeld door het appelverbod van art. 332 Rv in verbinding met art. 80 lid 1 RO. Aruba en Nederland kennen dus verschillende stelsels van rechterlijke organisatie terwijl ook de openstelling tot cassatietoetsing op verschillende wijze is geregeld.
De beantwoording van de vraag in hoeverre beslissingen van de Arubaanse rechter in cassatie kunnen worden getoetst, behoort dus niet te worden bepaald door het antwoord op de vraag in hoeverre cassatietoetsing mogelijk zou zijn in een vergelijkbare zaak waarover in Nederland is geprocedeerd. Een beslissing van het gerecht in eerste aanleg van Aruba behoort dan ook niet op de grond dat die gegeven is in een zaak die in Nederland door de kantonrechter zou zijn beslist, voor de toepassing van art. 80 lid 1 RO te worden gelijkgesteld met een beslissing van de Nederlandse kantonrechter.
In zoverre is de onderhavige zaak geen “overeenkomstig geval” als bedoeld in art. 1 lid 1 Rijkswet cassatierechtspraak en bestaat dus geen ruimte voor toepassing van het concordantiebeginsel.”

Het stond de werknemer dus vrij om andere cassatiegronden dan die genoemd in art. 80 lid 1 RO aan te voeren. Dit kan hem overigens uiteindelijk niet baten, want de Hoge Raad verwerpt zijn cassatieklachten (met toepassing van art. 81 RO)

De werknemer is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk, en in feitelijke instantie door Anthony Ruiz.

Share This