Selecteer een pagina

Vzr. Rb. Amsterdam 4 december 2012, LJN BY6220

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft aan de Hoge Raad onder meer de prejudiciële vraag gesteld of in zaken die niet vallen onder art. 1019b lid 1 jo. 1019c Rv (niet- IE zaken) ook de mogelijkheid bestaat van bewijsbeslag.

Achtergrond van de zaak

Verzoekster in deze zaak is een onderneming die zich bezighoudt met beleggingen. Zij heeft in totaal ruim 17 miljoen euro geïnvesteerd in Unify Group Holding B.V. (UGH). UGH richtte zich op telecommunicatie. UGH leed in de jaren 2009 tot 2011 grote verliezen. Samenwerking met anderen was volgens het bestuur van UGH nodig om de continuïteit te waarborgen. Daarvoor waren verschillende gegadigden. In september bereikten de beide verweerders in deze zaak, respectievelijk bestuurder/aandeelhouder en salesmanager van UGH, overeenstemming met Itel over een transactie. Die transactie hield in dat Itel de belangen van verzoekster zou overnemen voor 3 miljoen euro en 4 miljoen euro aan werkkapitaal in UGH zou storten. De verkoop van UGH aan Itel is uiteindelijk niet doorgegaan, aan UGH is op 1 december 2011 surséance verleend, dat op 13 december 2011 is omgezet in faillissement.

Verzoekster verwijt de beide verweerders vertrouwelijke informatie te hebben verstrekt, waardoor de overeenkomst met Itel niet is doorgegaan Zij zouden dat hebben gedaan met het oogmerk zichzelf te bevoordelen. Bij een bespreking in april 2012 heeft een van de verweerders jegens verzoekster verklaard over 16.000 e-mails te beschikken die haar gelijk zouden kunnen aantonen. Hij was volgens verzoekster echter niet bereid die vrijwillig aan verzoekster te verstrekken.

Verzoekster heeft onder meer verzocht conservatoir bewijsbeslag te mogen leggen. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek bij beschikking van 1 november 2012 voorlopig toegestaan; zij zal definitief beslissen nadat de Hoge Raad haar vragen zal hebben beantwoord.

Achtergrond van de vragen

De eerste vraag die de voorzieningenrechter de Hoge Raad heeft voorgelegd luidt:

“Volgens artikel 1019b lid 1 jo. 1019c lid 1 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan bewijsbeslag gelegd worden in zaken met betrekking tot intellectuele eigendom. Bestaat in zaken die niet vallen onder deze bepalingen (‘niet IE-zaken’) ook de mogelijkheid voor het leggen van een bewijsbeslag?”.

Hiermee stelt de voorzieningenrechter een vraag die de gemoederen al geruime tijd bezighoudt. In de praktijk blijkt behoefte te bestaan aan deze vorm van beslag om te voorkomen dat bewijsmateriaal verdwijnt. De mogelijkheid van een dergelijk beslag is in de wet, buiten IE zaken, echter niet uitdrukkelijk geregeld. Zij kan volgens sommigen worden gebaseerd op art. 730 jo. 843a Rv. In haar uitspraak noemt de rechtbank uitspraken van enkele hoven die over deze vraag verschillend oordelen.

De beslagsyllabus in de versie augustus 2012 vermeldt over deze kwestie op p. 29 en 30 onder meer:

“Over de mogelijkheid van BEWIJSBESLAG IN NIET- IE ZAKEN (dat doorgaans wordt gebaseerd op artikel 730 Rv jo. 843a Rv) wordt in de rechtspraak en literatuur verschillend geoordeeld. Gelet ook op het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 4 augustus 2009, LJN: BJ4901, is het LOVC in haar vergadering van 23 november 2009 teruggekomen op het standpunt (..) dat BEWIJSBESLAG IN NIET-IE ZAKEN niet onmogelijk is. Het LOVCK laat het oordeel over de onderhavige vraag thans aan de rechtspraak over, in de hoop dat de Hoge Raad daarover op korte termijn uitsluitsel zal geven.”.

Het Landelijk overleg van de voorzitters van de sectoren civiel en kanton van de rechtbanken wordt met dit tussenvonnis op zijn wenken bediend. Wat de termijn betreft, in de eerste zaak waarin prejudiciële vragen zijn gesteld, een vonnis van 3 augustus 2012, heeft de advocaat-generaal onlangs al een conclusie genomen.

In haar uitspraak stelt de rechtbank nog vijf andere vragen, die alle zien op de praktische uitvoering voor het geval de Hoge Raad bewijsbeslag ook in niet-IE zaken mogelijk zou achten.

Share This