HR 9 november 2012, LJN BX5882

Het hof heeft ambtshalve het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank opgevraagd. Daarom had het, gelet op het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, moeten nagaan of de rechtbank daarvan tevens een afschrift aan partijen had toegezonden, of had het zelf een afschrift aan partijen moeten zenden.

Deze zaak gaat ten gronde over schuldsanering. De rechtbank had de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd met verlening van de schone lei. Het hof heeft dit vonnis vernietigd voor zover daarin is bepaald dat verzoekster tot cassatie niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en – kort weergegeven – de schone lei geweigerd. Het hof heeft blijkens zijn arrest het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter zitting van de rechtbank gerekend tot de stukken van het geding.

De eerste klacht in cassatie was dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden doordat het kennis heeft genomen van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, terwijl dit stuk niet als gedingstuk is overgelegd, verzoekster niet met dit stuk bekend is en zij ook niet in de gelegenheid is geweest om daarop te reageren. Bij die mondelinge behandeling was verzoekster volgens advocaat-generaal Timmerman overigens zelf aanwezig geweest (zie onderdeel 2.22 van zijn conclusie).

Bij de behandeling van deze klacht gaat de Hoge Raad niet over één nacht ijs. Hij heeft op de voet van art. 83 RO inlichtingen ingewonnen bij zowel de rechtbank als het hof. De rechtbank heeft de Hoge Raad bericht dat zij het proces-verbaal op verzoek van het hof heeft opgesteld en geen afschrift aan partijen heeft gezonden. De griffie van het hof heeft de griffier van de Hoge Raad telefonisch laten weten dat ook het hof geen afschrift van het proces-verbaal aan partijen heeft gezonden. Daarmee staat, aldus de Hoge Raad, vast dat het hof recht heeft gedaan op het proces-verbaal, zonder dat partijen daarover beschikten en zich over de inhoud daarvan hebben kunnen uitlaten.

Na deze vaststelling van de feitelijke gang van zaken was de vraag: heeft het hof, aldus handelend, het beginsel van hoor en wederhoor geschonden? Bij de beantwoording van deze vraag neemt de Hoge Raad het volgende tot uitgangspunt:

“3.2.3 (…) Het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op hoor en wederhoor, zoals ook neergelegd in art. 19 Rv, omvat het recht van partijen om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is de grondslag van dit recht mede het vertrouwen dat rechtzoekenden dienen te kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak (…).

Hieruit volgt dat het voor de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vraag in beginsel niet van belang is of – en zo ja, in welke mate – gegevens en bescheiden waarvan partijen geen kennis hebben genomen, al dan niet nieuwe feiten of argumenten behelzen dan wel daadwerkelijk van invloed zijn (geweest) op de beslissing van de rechter. Gelet op voormeld uitgangspunt is het immers niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie. Dit is anders indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak, maar van dit laatste is in het onderhavige geval geen sprake.”.

Nu het hof het proces-verbaal ambtshalve heeft opgevraagd, had het, gelet op het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, moeten nagaan of de rechtbank daarvan tevens een afschrift aan partijen had toegezonden, of had het zelf een afschrift aan partijen moeten toezenden. Het finale oordeel van de Hoge Raad is dat het hof dan ook niet recht had mogen doen op het proces-verbaal. Volgt vernietiging en verwijzing naar een ander hof.

In zijn conclusie voor dit arrest bespreekt Avocaat-Generaal Timmerman verschillende arresten van het EHRM die volgens hem het dichtst in de buurt komen van de kwestie die in deze zaak aan de orde is. Hij gaat ook in op verschillende uitspraken van de Hoge Raad. Hij wijst erop dat deze kwestie gebracht zou kunnen worden onder de gevallen waarin de Hoge Raad eerder oordeelde dat weliswaar het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden, maar de daarop gefundeerde klacht niet tot cassatie noopt. Hiervoor is van belang dat de beslissing van het hof naar zijn oordeel zelfstandig kan worden gedragen door gronden die buiten het desbetreffende proces-verbaal liggen. Verder heeft in appel nogmaals een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ten slotte wijst hij – kort weergegeven – op de beperkte betekenis van een dergelijk proces-verbaal (onderdeel 2.23). Niettemin meent hij dat de klacht in het licht van de stringente rechtspraak van het EHRM niet (bij gebrek aan belang) kan worden verworpen en concludeert hij (op die grond) tot vernietiging. De inhoudelijke bespreking van de eerste klacht is te lezen in de onderdelen 2.6 tot en met 2.26 van deze conclusie. De Hoge Raad heeft het advies gevolgd en lijkt zijn rechtspraak op dit punt te hebben aangescherpt.

Share This