Het overzicht van lopende prejudiciële vraag-procedures vermeldt vier nieuwe zaken. De vragen zien op (1) de reikwijdte van art. 431a Rv, (2) de positie van de curator in een verzetprocedure ex art. 10 Fw, (3) de positie van de burgemeester in BOPZ-zaken, (4) de per 1 januari 2015 ingevoerde alleenstaande ouderkop.

1. Is art. 431a Rv ook van toepassing bij rechtsovergang door juridische fusie?

Art. 431a Rv bepaalt dat wanneer de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel overgaat, de executie eerst kan worden aangevangen of voortgezet na betekening van deze overgang aan de geëxecuteerde. In een (nog) niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 13 april 2015 zijn met betrekking tot deze bepaling de volgende vragen gesteld:

1. Omvat een redelijke uitleg van artikel 431a Rv de situatie van een rechtsovergang onder algemene titel krachtens een juridische fusie zoals bedoeld in artikel 2:309 BW en zo ja, verplicht artikel 431a Rv tot betekening van de rechtsovergang van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel als gevolg van een fusie waarbij sprake is van een verdwijnende en een verkrijgende rechtspersoon die de bevoegdheid onder algemene titel verkrijgt, ook indien geen misverstand kan bestaan omtrent de (rechts-)persoon aan wie bevrijdend kan worden betaald en lopende executies via de rekening van de deurwaarder worden afgewikkeld, de geëxecuteerden tijdig van de fusie op de hoogte zijn gesteld en de betekeningskosten voor rekening van geëxecuteerden komen?

2. Indien uw Raad betekening op de wijze als voorzien in artikel 431a Rv niet noodzakelijk acht, dient de rechtsovergang van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel als gevolg van een juridische fusie alsdan op een andere manier te worden bekendgemaakt en zo ja, op welke wijze?

2. Is curator belanghebbende in de verzetprocedure ex art. 10 Fw?

Op grond van art. 10 Fw kan elke schuldeiser en elke belanghebbende verzet aantekenen tegen de faillietverklaring. De Rechtbank Overijssel heeft bij uitspraak van 11 mei 2015 aan de Hoge Raad de prejudiciële vraag voorgelegd of ook de curator kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 10 Fw. In dit geval staat vast dat het betrokken bedrijf verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Tevens staat vast dat de activiteiten van het bedrijf al gestaakt waren en de contracten waren beëindigd. De curator heeft geconstateerd dat er geen enkele bate is of valt te verwachten en stelt dat er geen belang is bij het aanvragen van het faillissement. Anderzijds, zo stelt de curator, bestaat zijn belang bij het niet-uitspreken van het faillissement eruit verschoond te blijven van een faillissement waarbij op voorhand vaststaat dat alle kosten voor rekening van de curator zullen komen. Tegen deze achtergrond stelt de rechtbank de volgende vragen:

1. Kan de curator q.q. worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 10 lid 1 Fw?

2. Kan de curator q.q. gelet op zijn neutrale en onafhankelijke rol in verzet komen tegen een faillissementsvonnis waarbij hij constateert dat er geen actief is of actief valt te verwachten?

3. Is de burgemeester (gemeente) schadeplichtig bij niet-tijdig psyciatrisch onderzoek?

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 19 mei 2015 prejudiciële vragen gesteld over de schadeplichtigheid van de burgemeester – althans: de gemeente – in BOPZ-kwesties. De zaak betreft een geval waarbij betrokkene op last van de burgemeester in bewaring is gesteld. Uit rechtspraak bij art. 5 EVRM (EHRM 5 oktober 2000, BJ 2001, 36, Varbanov) volgt dat wanneer iemand voorafgaand aan de vrijheidsontneming niet door een psychiater is onderzocht, dit onderzoek “immediately after the arrest” moet plaatsvinden. Meerdere rechtbanken hanteren de richtlijn dat betrokkene binnen zes uren na inbewaringstelling – de nachtelijke uren niet meegerekend – plaatsvinden. In dit geval is betrokkene niet binnen zes ‘daglichturen’, maar pas na 17 daglichturen onderzocht door een psychiater.

Betrokkene heeft een schadevordering ingesteld jegens de gemeente, stellende dat de vrijheidsontneming in de tussenliggende uren onrechtmatig was. Betrokkene heeft zijn schadevordering gebaseerd op art. 28 BOPZ. De gemeente heeft gesteld dat voor schadeplichtigheid op grond van deze bepaling slechts de omstandigheden voor en op het moment van het besluit tot lastgeving kunnen worden meegewogen en dus niet de omstandigheid dat het daarna vereiste onderzoek later dan zes daglichturen na inbewaringstelling plaatsvond. Volgens de gemeente past in het systeem van de Wet Bopz, dat er op is ingericht dat de beslissing omtrent vrijheidsontneming slechts voorligt aan de officier van justitie en de rechter, niet dat de burgemeester verantwoordelijk zou zijn voor het doen verrichten van een onderzoek door een psychiater indien de geneeskundige verklaring is opgesteld door een arts.

Het hof heeft aanleiding gezien om deze kwestie bij wijze van prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen. Het betreft de volgende vragen:

1. Is aan het vereiste dat de door de burgemeester afgegeven last onrechtmatig was voldaan indien vaststaat dat degene ten aanzien van wie een last tot inbewaringstelling is afgegeven op basis van een geneeskundige verklaring van een arts, niet zijnde een psychiater, niet ‘immediately after the arrest’ alsnog is onderzocht door een psychiater?

2. Komt de in artikel 28 Wet BOPZ genoemde schadevergoeding (in alle gevallen) ten laste van de burgemeester, althans de gemeente, ook indien de feiten en omstandigheden die tot het oordeel leiden dat de gegeven last onrechtmatig was als bedoeld in dat artikel buiten de invloedssfeer liggen van de burgemeester?

3. Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord, is het uitgangspunt juist dat aan het vereiste ‘immediately after the arrest’ is voldaan indien degene ten aanzien van wie een last tot inbewaringstelling is afgegeven binnen zes daglichturen als bedoeld in de beschikking waarvan beroep is onderzocht door een psychiater? Of geldt een kortere dan wel langere termijn?

4. Moet alleenstaande ouderkop in mindering worden gebracht op kosten van levensonderhoud van de kinderen?

Per 1 januari 2015 geldt de Wet Hervorming Kindregelingen. Op grond van deze wet kan de alleenstaande ouder die ten behoeve van de kinderen alimentatiegerechtigd is aanspraak maken op de zogeheten alleenstaande ouderkop: een extra bedrag voor de alimentatiegerechtigde ouder die geen partner heeft. Tegenover de invoering van de alleenstaande ouderkop staat de maatregel dat de alleenstaande oudertoeslag in de bijstand en in de inkomstenbelasting is afgeschaft. In de rechtspraktijk heerst onduidelijkheid over de wijze waarop deze alleenstaande ouderkop in de alimentatieberekening moet worden verdisconteerd.

In de onderhavige procedure heeft de man zich primair op het standpunt gesteld dat de aanbevelingen van de expertgroep alimentatienormen moet worden gevolgd. Deze aanbeveling luidt dat het totale kindgebonden budget – dus inclusief de alleenstaande ouderkop – in mindering moet worden gebracht op de behoefte van het kind. Subsidiair heeft de man gesteld dat de alleenstaande ouderkop inkomen aan de zijde van de vrouw betreft en dus draagkrachtverhogend is. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de alleenstaande ouderkop buiten beschouwing moet worden gelaten en noch in mindering strekt op de behoefte van het kind, noch in haar draagkracht moet worden berekend.

Zoals het hof in (m.n. rov. 35-37 van) zijn uitspraak van 3 juni 2015 uiteenzet, leven in de rechtspraktijk verschillende opvattingen ten aanzien van het kindgebondenbudget en de alleenstaande ouderkop. Het hof legt nu de volgende vragen aan de Hoge Raad voor:

1. Moet bij de bepaling van de ingevolge artikel 1:397 BW jo. 1:404 BW door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen rekening worden gehouden met het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, door dit: i) in mindering te brengen op de behoefte van de kinderen; dan wel ii) in aanmerking te nemen bij het vaststellen van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt?

2. Bij vraag 1 is geen onderscheid gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget. Indien dat onderscheid wel moet worden gemaakt, op welke wijze moet dan ter bepaling van de verschuldigde onderhoudsbijdrage rekening worden gehouden met de alleenstaande ouderkop en op welke wijze met het overige deel van het kindgebonden budget?

 

Share This