Selecteer een pagina

HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663

Ook indien is verzocht om voortzetting van de inbewaringstelling krachtens de Wet Bopz geldt dat, indien de raadsman terugtreedt omdat zijn cliënt te kennen geeft niet meer door hem te willen worden bijgestaan, de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst, en dat de rechter in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek dient te doen blijken.

In deze zaak had betrokkene ter zitting van de rechtbank waar het verzoek om voortzetting van haar inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz) werd behandeld, te kennen gegeven alleen met de rechter te willen praten als de haar toegewezen advocaat de kamer verliet, omdat deze in haar visie geen echte advocaat was. De advocaat heeft daarop de kamer verlaten. De rechtbank heeft de gevraagde machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend.

Art. 29 lid 5 Wet Bopz bepaalt dat tegen een beschikking op een verzoek tot het verlenen van machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen gewoon rechtsmiddel openstaat. In beginsel kan betrokkene dus niet in cassatie opkomen tegen de door de rechtbank gegeven beschikking.

Omdat in cassatie volgens de Hoge Raad echter is geklaagd over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald – te weten: het recht op rechtsbijstand door een raadsman die is toegevoegd in overeenstemming met de wens van de betrokkene – bestaat grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 29 lid 5 Wet Bopz. Betrokken wordt daarom in haar cassatieberoep ontvangen.

Ook inhoudelijk slaagt haar cassatieberoep.

De Hoge Raad bevestigt dat de lijn die hij al eerder had uitgezet voor “gewone” machtigingen in het kader van de Wet Bopz, ook geldt voor voortzetting van de inbewaringstelling, zij het dat de korte wettelijke beslistermijn er in voorkomend geval toe kan leiden dat de behandeling plaatsvindt zonder raadsman. Daarop dient betrokkene alsdan echter door de rechtbank te worden gewezen. Het resultaat van het onderzoek naar de mogelijkheid van bijstand door een andere raadsman binnen de wettelijke beslistermijn en het standpunt van betrokkene over de eventuele onmogelijkheid van toevoeging van een andere raadsman dient uit de beschikking van de rechtbank te blijken:

3.5 In zaken van vrijheidsbeneming krachtens de Wet Bopz geldt dat, indien de raadsman terugtreedt omdat zijn cliënt te kennen geeft niet meer door hem te willen worden bijgestaan, een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van art. 8 lid 3 Wet Bopz, in verbinding met het vierde lid van art. 45 Sv, meebrengt dat de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst, en dat de rechter in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek dient te doen blijken (vgl. HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1422, NJ 1994/720, en HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471).

3.6 Het vorenstaande geldt eveneens indien ten aanzien van de betrokkene is verzocht om het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Bopz. De omstandigheid dat de rechter bij de behandeling van een zodanig verzoek is gebonden aan een korte wettelijke beslistermijn (vgl. art. 29 lid 3 Wet Bopz) doet daaraan niet af.

Indien in een dergelijk geval de betrokkene verklaart dat hij geen bijstand wenst van de aan hem toegevoegde raadsman, is de rechter gehouden te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst, en, zo ja, of het mogelijk is om, binnen de wettelijke beslistermijn, een andere raadsman aan de betrokkene toe te voegen. Bij bevestigende beantwoording van laatstgenoemde vraag dient de rechter op de voet van art. 8 lid 3 Wet Bopz erop toe te zien dat een nieuwe raadsman aan de betrokkene wordt toegevoegd.

Indien de rechter van oordeel is dat de toevoeging van een nieuwe raadsman binnen de wettelijke beslistermijn niet mogelijk is, is hij gehouden hiervan mededeling te doen aan de betrokkene. In dat geval dient de rechter de betrokkene erop te wijzen dat zijn weigering om zich te laten bijstaan door de aanvankelijk toegevoegde raadsman, ertoe kan leiden dat hij bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling niet door een raadsman wordt bijgestaan.

De rechter is gehouden om in zijn beschikking te doen blijken van het resultaat van vorenstaand onderzoek en, in voorkomend geval, van het standpunt van de betrokkene ten aanzien van de onmogelijkheid om tijdig een andere raadsman aan hem toe te voegen.

Omdat uit de beschikking van de rechtbank niet bleek dat zij aan betrokkene heeft gevraagd of zij toevoeging van een andere raadsman wenste, kon de beschikking (alleen al hierom) niet in stand blijven.

Volgt vernietiging en verwijzing naar dezelfde rechtbank.

Share This