Selecteer een pagina

HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958

In dit arrest geeft de strafkamer van de Hoge Raad een nadere invulling aan de onrechtmatigheidstoets en aan het vereiste van geobjectiveerd geestelijk letsel. Ook de samenloop tussen de aanspraak op ‘schokschade’ en de aanspraak op ‘affectieschade’ komt aan de orde.

Aanleiding: het Taxibus-arrest

In het Taxibusarrest werd de mogelijkheid van een op art. 6:162 BW gebaseerde schok- of shockschadevordering voor het eerst door de Hoge Raad aanvaard. Een vijfjarig meisje werd door een taxibus overreden en overleed. Haar moeder trof haar dochter kort na het ongeval op straat aan. Deze confrontatie leidde bij de moeder tot geestelijk letsel. Zij vorderde onder meer een immateriële schadevergoeding van de WAM-verzekeraar van de bestuurder van de taxibus.

Volgens de Hoge Raad liet het wettelijk stelsel niet toe dat aan een ouder een schadevergoeding wegens verdriet om de dood van een kind wordt toegekend (‘affectieschade’). Het wettelijk stelsel verzette zich volgens hem echter niet tegen een vergoeding van immateriële schade, wanneer deze schade een gevolg is van de aan het onrechtmatig handelen van de veroorzaker toe te rekenen schokkende confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval (‘schokschade’). Daarvoor is dan wel vereist, zo vervolgde de Hoge Raad, dat het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Dit laatste zal, zo overwoog hij, in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Vervolgvragen over affectie- en schokschade

Het Taxibus-arrest heeft aanleiding gegeven tot verschillende vervolgvragen. Zo is de Hoge Raad uitgenodigd om de voorwaarden voor toewijzing van een schokschadevordering te versoepelen in gevallen waarin het gaat om opzetdelicten. In het Viltarrest oordeelde de Hoge Raad echter dat dit zijn rechtsvormende taak te buiten zou gaan. In een andere context gaf de Hoge Raad wel een nadere invulling aan het vereiste van geobjectiveerd geestelijk letsel. Dit vereiste houdt niet in, zo overwoog de strafkamer van de Hoge Raad vorig jaar (ECLI:NL:HR:2021:1024), dat sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, en evenmin dat dit geestelijk letsel slechts door een psychiater of psycholoog kan worden vastgesteld. Vervolgens overwoog de strafkamer van de Hoge Raad echter dat deze laatste overweging niet zag op schokschade, maar op alle andere schade die het gevolg is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW. Ter rechtvaardiging wees de Hoge Raad erop dat de eerstbedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot (de gevolgen van) het uit de emotionele schok voortvloeiende geestelijk letsel  (ECLI:NL:HR:2021:1947).

Intussen had de wetgever – nadat een eerder wetsvoorstel was gesneuveld in de Eerste Kamer – een recht op vergoeding van affectieschade ingevoerd. Sinds 1 januari 2019 bieden art. 6:107 lid 1, aanhef en onder b, BW en art. 6:108 lid 3 BW aan een in de wet limitatief omschreven kring van naasten en nabestaanden een aanspraak op een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag aan smartengeld. Dit heeft geleid tot de vervolgvraag hoe de vergoeding ter zake van schokschade zich verhoudt tot de vergoeding voor affectieschade die aan naasten en nabestaanden toekomt.

Tegen deze achtergrond constateerden de advocaten-generaal Lindenbergh en Spronken eerder dit jaar dat het aldus ontwikkelde civielrechtelijke leerstuk complex is, en dat daarover in de (strafrechtelijke) feitenrechtspraak veelvuldig en soms verschillend wordt geoordeeld. In een gezamenlijke conclusie nodigden zij de Hoge Raad uit om het beoordelingskader te preciseren. Dat heeft de Hoge Raad nu in een andere zaak daadwerkelijk gedaan. De belangrijkste overwegingen uit dit arrest van de strafkamer worden hierna besproken.

Precisering door de Hoge Raad

In zijn arrest stelt de Hoge Raad voorop dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelt jegens degene (het ‘secundaire slachtoffer’) bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt (rov. 3.4).

De Hoge Raad geeft vervolgens een nadere invulling aan het Taxibus-arrest, door te overwegen dat het antwoord op de vraag óf jegens het secundaire slachtoffer onrechtmatig is gehandeld afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn onder meer van belang (1) de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed, (2) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan, en (3) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer. De feitenrechter moet (dus niet: kan) deze omstandigheden afwegen en krijgt daarbij de nodige vrijheid. De Hoge Raad geeft de feitenrechter wel mee dat minder snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen als iemand beroepsmatig bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis en/of als een nauwe relatie met het primaire slachtoffer ontbreekt (rov. 3.5-3.6).

De Hoge Raad benadrukt verder dat het recht op schokschade beperkt is tot de schade die volgt uit naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel (rov. 3.4 en 3.7). Het moet volgens de Hoge Raad gaan om geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Niet vereist is dat een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is gesteld. Voor toewijzing kan voldoende zijn dat de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin (rov. 3.7). Daarmee lijkt nu eenzelfde benadering te worden gevolgd voor wat betreft de objectiveerbaarheid van het geestelijk letsel, maar lijken aan de ernst van het geestelijk letsel nog steeds hogere eisen te worden gesteld dan de eisen die in het algemeen op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, BW gelden.

Met betrekking tot de samenloop van affectieschade en schokschade, ten slotte, merkt de Hoge Raad slechts op dat de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moet afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de schokschade rekening wordt gehouden met de aanspraak op affectieschade (rov. 3.9). Ook op dit punt heeft de feitenrechter dus de nodige vrijheid. Niet voor niets benadrukt de Hoge Raad ook nog eens dat oordelen over de omvang van de verplichting tot vergoeding van schade in cassatie in beginsel slechts op begrijpelijkheid kunnen worden onderzocht. De Hoge Raad wijst er wel op dat bij dat onderzoek van belang kan zijn in hoeverre de feitenrechter acht heeft geslagen op vergelijkbare gevallen (rov. 3.10).

Share This