HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1052 (De Leeuw c.s. / Pinoccio)

De korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid; ook voor deze termijn geldt de eis dat deze pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen.

Dit is een zaak van lange adem, over een langlopende huurovereenkomst en een langlopende procedure. En opnieuw komt naar voren dat het moment van ontstaan van een  vordering niet noodzakelijkerwijs samenvalt met het moment van aanvang van een (korte) verjaringstermijn.

De procedure

Een in 1984 overeengekomen huurovereenkomst voor twintig jaar is aansluitend voortgezet voor een termijn van tien jaar. In 2005 heeft de kantonrechter op vordering van de brouwerij, eiser tot cassatie, de huurprijs nader vastgesteld (verhoogd). De huurder, Momus II, is van dit vonnis in appel gekomen, maar heeft intussen wel de hogere huurprijs voldaan (en in appel teruggevorderd, over de periode 1 maart 2004 tot en met 31 januari 2006, een bedrag van € 120.550,45, plus rente en proceskosten). Het hof Den Bosch heeft het vonnis bekrachtigd, de Hoge Raad heeft dat arrest vernietigd, en vervolgens heeft het hof Arnhem-Leeuwarden op 14 februari 2014 het vonnis van de kantonrechter uit 2005 vernietigd en de vordering tot nadere huurprijsvaststelling alsnog afgewezen en de brouwerij veroordeeld tot terugbetaling van € 120.550,45 aan teveel betaalde huur en van € 3847,93 aan proceskosten (totaal € 124.398,38). De brouwerij heeft dat bedrag betaald. Momus II heeft haar vordering uit hoofde van te veel betaalde huur en mogelijk toekomstig te veel betaalde huur gecedeerd aan Pinoccio, verweerster in cassatie.

Pinoccio heeft in kort geding vervolgens terugbetaling gevorderd van de ingevolge het vonnis van de kanonrechter te veel betaalde huur (met wettelijke rente) over de periode 1 februari 2006 tot 28 februari 2014 [die periode maakte immers geen deel uit van de oorspronkelijke vordering van Momus II]. De brouwer meende echter dat die vordering was verjaard ingevolge art. 3:309 BW (een verjaringstermijn van vijf jaar in geval van een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling).

De voorzieningenrechter heeft dat beroep op verjaring gehonoreerd voor de periode tot 1 februari 2009. Het hof heeft dat vonnis vernietigd en het beroep op verjaring integraal verworpen. Dat arrest blijft in cassatie in stand.

De uitspraak van de Hoge Raad

De Hoge Raad wijst allereerst op zijn vaste rechtspraak die inhoudt dat een onherroepelijk geworden vernietiging door de appelrechter van een rechterlijke uitspraak in eerste aanleg meebrengt dat de rechtsgrond ontvalt aan hetgeen reeds ter uitvoering van die uitspraak is verricht, en dat die vernietiging een vordering tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie op de voet van art. 6:203 BW teweegbrengt. In deze rechtspraak ligt besloten, aldus de Hoge Raad, dat de vernietiging van een rechterlijke uitspraak terugwerkende kracht heeft, en dat de vordering strekkende tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie ontstaat op het moment waarop ter uitvoering van die uitspraak is gepresteerd, ongeacht of daarbij sprake is van een prestatie als bedoeld in lid 1, lid 2, dan wel lid 3 (vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3678, NJ 2015/168, CB 2014-201).

Uit deze rechtspraak volgt dus dat de in dit kort geding door Pinoccio ingestelde vordering tot terugbetaling van de bedragen aan huurverhoging die Momus II ingevolge het in 2014 vernietigde vonnis van de kantonrechter uit 2005 heeft voldaan, rechtens is ontstaan op het moment waarop die te hoge huurbedragen telkens werden betaald.

Daarmee is echter volgens de Hoge Raad niet gegeven op welk moment in een geval als hier aan de orde de verjaringstermijn van de vordering uit onverschuldigde betaling een aanvang neemt. Daaromtrent bepaalt art. 3:309 BW dat die aanvangt, voor zover hier van belang, op de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met het bestaan van zijn vordering is bekend geworden. De Hoge Raad vervolgt:

“3.3.4 (..) Evenals het geval is met art. 3:310 BW, dat de verjaringsregeling behelst van rechtsvorderingen tot vergoeding van schade en tot betaling van een boete, bevat art. 3:309 BW zowel een korte verjaringstermijn, die begint te lopen op het hiervoor genoemde moment, als een lange van twintig jaren, die begint te lopen op de dag waarop de vordering ontstaat. Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4 aangehaalde passages uit de  wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de regeling van de aanvang van de verjaring van art. 3:309 BW zoveel mogelijk heeft willen doen aansluiten bij die van art. 3:310 BW. Mede in het licht daarvan moet, evenals voor de korte verjaringstermijn van art. 3:310 BW is beslist in HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112, voor de korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW worden aangenomen dat deze niet alleen in het teken staat van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid en dat ook voor deze termijn de eis geldt dat deze, gelet op de strekking van de bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen.

3.3.5 In een geval als het onderhavige, waarin een partij bij vonnis is veroordeeld tot betaling, tegen welk vonnis hij hoger beroep heeft ingesteld, is, hangende het appel, de vordering tot terugbetaling van hetgeen op grond van het vonnis in eerste aanleg is voldaan, niet toewijsbaar, aangezien toewijzing onverenigbaar zou zijn met de rechtskracht van dat vonnis, terwijl het hoger beroep juist de strekking heeft dat dit vonnis wordt vernietigd en daardoor de vordering tot terugbetaling ontstaat.

Die partij is derhalve niet daadwerkelijk in staat haar (op dat moment nog toekomstige) aanspraak geldend te maken. De terugwerkende kracht die toekomt aan de uitspraak waarbij de veroordeling wordt vernietigd, gaat niet zo ver dat die partij, achteraf bezien, wel geacht moet worden daartoe in staat te zijn geweest. De andersluidende opvatting zou niet in overeenstemming zijn met de hiervoor in 3.3.4 vermelde strekking van de regels met betrekking tot de korte verjaringstermijnen. Dat de vordering tot terugbetaling hangende het hoger beroep voorwaardelijk ingesteld kan worden bij de rechtbank en dat de veroordeelde partij in hoger beroep terugbetaling kan vorderen van hetgeen zij ingevolge het vonnis in eerste aanleg mocht hebben voldaan, maakt dat niet anders (vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196 (rov. 3.7.2) [CB 2012-76]).”

Share This