HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929 (ING Bank N.V./Verweersters)

De beëindiging door de kredietverlener van een kredietovereenkomst op grond van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging is niet rechtsgeldig als gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 

Opzegging door de bank: boeterente verschuldigd?

Verweersters in cassatie hebben bij de ING Bank een kredietfaciliteit van in totaal € 2,41 miljoen. Deze faciliteit bestaat uit een rekening-courantkrediet voor onbepaalde tijd en een tweetal rentevaste leningen voor bepaalde tijd. Op de overeenkomst zijn de Algemene Bepalingen van Kredietverlening van de ING Bank van toepassing (ABK). In 2009 beëindigt de bank de kredietrelatie omdat een aantal verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst niet is nagekomen. Door de opzegging moet alles vervroegd worden afgelost. De ABK bepalen dat een boeterente is verschuldigd als vergoeding voor de gemiste rentebetalingen als gevolg van de vervroegde aflossing van de rentevaste leningen.

Verweersters lossen alles af, maar vinden (onder meer) de boeterente onaanvaardbaar, onder meer omdat zij steeds aan hun rente- en aflossingsverplichtingen hebben voldaan en omdat de bank door de aan haar verstrekte zekerheden nooit enig risico heeft gelopen. Het geschil wordt aan de rechter voorgelegd en verweersters vorderen verklaringen voor recht dat (1) de bank ten onrechte de kredietrelatie heeft opgezegd en (2) dat de bank ten onrechte aanspraak maakt op de vergoeding wegens vervroegde aflossing.

In hoger beroep oordeelt het hof dat de bank het rekening-courantkrediet mocht opzeggen, maar dat de opzegging van de rentevaste leningen met de boeterente tot gevolg in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geoordeeld. Daarbij acht het hof mede van belang dat artikel 2 ABV voorschrijft dat de bank naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening zal houden. Ten aanzien van de opzegging van het rekening-courantkrediet is dit het geval, gelet op de door de bank in acht genomen opzegtermijn van acht maanden.

Bij de beëindiging van de rentevaste leningen speelt echter de omstandigheid een rol dat verweersters als gevolg van deze beëindiging een boeterente moeten betalen, waarvoor de lengte van de opzegtermijn geen soelaas biedt. Het hof weegt vervolgens de ernst en de aard van de genoemde tekortkomingen van verweersters af tegen het belang van de bank bij de beëindiging van de rentevaste leningen en oordeelt dat de bank, zo zij haar belang al tegen dat van verweersters heeft afgewogen, een te zwaar gewicht aan haar eigen belang heeft toegekend en aldus haar zorgplicht jegens verweersters heeft geschonden. Het hof legt aan dit oordeel onder meer de omstandigheid ten grondslag dat de bank geen kredietrisico meer liep nu verweersters steeds tijdig aan hun rente- en aflossingsverplichtingen hadden voldaan, en neemt daarbij ook de waarde van de zekerheden in verhouding tot de vordering op verweersters in aanmerking.

Hoge Raad: hof hanteerde juiste maatstaf

De bank klaagt in cassatie dat het hof met dit oordeel een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Het had, aldus de bank, de rechtsgeldigheid van het gebruikmaken van de bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst moeten beoordelen aan de hand van de overeenkomst en artikel 6:248 lid 2 BW. De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze maatstaf nu juist voorop heeft gesteld (r.o. 3.5.3-3.5.4). Ook klaagt de bank tevergeefs dat het hof het einde van de rentevaste leningen, het in verband daarmee verschuldigde bedrag en de gehanteerde termijnen niet afzonderlijk maar in samenhang met elkaar en de relevante omstandigheden van het geval had moeten beoordelen. Volgens de Hoge Raad staat er bij het beoordelen van de vraag of de bevoegdheid tot beëindiging van de kredietbijeenkomst naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is geen rechtsregel aan in de weg om onderscheid te maken tussen de beëdiging van het krediet in rekening-courant en de rentevaste leningen (r.o. 3.6.2).

Rabobank/Aarding onjuist?

De Hoge Raad volgt met de verwerping van het cassatieberoep van de bank plaatsvervangend procureur-generaal De Vries Lentsch-Kostense. Zij ging in haar uitvoerige conclusie (onder 9-18) in op de discussie in de literatuur over het arrest Rabobank/Aarding van het hof Arnhem uit 2003. In dat arrest was geoordeeld:

“Ook indien uit de aard van een specifieke overeenkomst zou volgen dat zij in beginsel zonder meer opzegbaar is, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts tot een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.

Voor een bank geldt dat zij uit hoofde van de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht heeft, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.”

De plv. procureur-generaal zet uiteen dat de vraag of aan de beëindiging door een bank van een kredietfaciliteit op de wijze als voorzien in de overeenkomst (de toepasselijke algemene voorwaarden) het beoogde rechtsgevolg kan worden onthouden, moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW, waarbij de omstandigheden van het geval die het hof in Rabobank/Aarding had opgesomd, een zekere richting kunnen geven bij de beoordeling van de vraag of de beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Maar die maatstaf had het hof in de hier besproken zaak dus niet miskend.

Verweersters zijn in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Sikke Kingma, en in feitelijke instanties door Rogier Wolf.

Share This