Selecteer een pagina

HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1101

(i) Partijen kunnen nader zijn overeengekomen in welke gevallen sprake is van ‘niet aan de overeenkomst beantwoorden’ in de zin van art. 7:17 BW. Of dat het geval is, is een kwestie van uitleg van de overeenkomst.

(ii) Art. 7:15 BW heeft geen betrekking op het niet of moeilijk incasseerbaar zijn van een overgedragen vordering als gevolg van (gehele of gedeeltelijke) nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst waaruit die vordering voortvloeit. Een dergelijke eigenschap van een overgedragen vordering is geen bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 BW. 

De (achtergrond van de) zaak

Vodafone heeft op grond van een cessieovereenkomst in 2014 en 2015 op wekelijkse basis vorderingen overgedragen aan Hoist.

Een deel van deze vorderingen was gebaseerd op overeenkomsten die Vodafone met consumenten had gesloten en die betrekking hadden op telefoonabonnementen waarbij aan de consument een ‘gratis’ toestel ter beschikking werd gesteld. In uitspraken uit 2014 (CB 2014-113) en 2016 (CB 2016-33) heeft de Hoge Raad, kort gezegd, over dergelijke overeenkomsten geoordeeld:

  • dat deze niet voldoen aan de regels over consumentenkrediet en koop op afbetaling,
  • dat de rechter de overeenkomst op deze grond kan vernietigen of kan oordelen dat de overeenkomst geen rechtsgevolg heeft, en
  • dat de rechter dit alles zo nodig ambtshalve dient vast te stellen.

 

In deze procedure betoogt Hoist dat hieruit volgt dat de vorderingen die Vodafone in 2014 en 2015 aan haar heeft gecedeerd niet bestaan, omdat de rechter (ambtshalve) kan oordelen dat de overeenkomst geen rechtsgevolg heeft. Dat betekent volgens Hoist dat Vodafone tekortschiet in de nakoming van de cessieovereenkomst. In ieder geval zijn de gecedeerde vorderingen in het licht van deze uitspraken van de Hoge Raad non-conform, omdat de onderliggende overeenkomsten kunnen worden vernietigd, zo stelt Hoist.

Zowel de rechtbank als het hof Amsterdam verwerpt deze stellingname van Hoist en wijst de vorderingen van Hoist af.

De Hoge Raad en de stukken van het geding

In cassatie stelt Hoist in de eerste plaats aan de orde hoe in het kader van de cessieovereenkomst moet worden omgegaan met de omstandigheid dat de rechter (ambtshalve) kan vaststellen dat de overeenkomsten tussen Vodafone en haar klanten van meet af aan geen rechtsgevolg hebben gehad.

De Hoge Raad oordeelt dat Hoist bij de hierop gerichte klachten geen belang heeft. Volgens de Hoge Raad laten de stukken van het geding namelijk geen andere conclusie toe dan dat Hoist in feitelijke instanties onvoldoende heeft betwist:

  • dat per overeenkomst tussen Vodafone en de consument één vordering is overdragen aan Hoist, waarbij die vordering dus bestaat uit (i) kosten voor het telefoonabonnement en (ii) kosten voor de afkoop van het toestel,
  • dat steeds hoe dan ook het deel van de overeenkomst dat betrekking heeft op de kosten voor het telefoonabonnement in stand blijft, en
  • dat dus voor elke overeenkomst hoe dan ook één bestaande vordering os overgedragen, namelijk de vordering die ziet op het abonnementsgedeelte van de overeenkomst.

Daarmee laten de stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat de vordering van Hoist moet worden afgewezen voor zover deze erop berust dat niet-bestaande vorderingen zijn overgedragen, zo concludeert de Hoge Raad.

Met dit oordeel wijkt de Hoge Raad af van de conclusie van A-G Rank-Berenschot, die van mening was dat het hof onvoldoende onder ogen had gezien dat de rechter (ambtshalve) kan vaststellen dat de overeenkomsten tussen Vodafone en haar klanten van meet af aan geen rechtsgevolg hebben gehad.

Non-conformiteit van de overgedragen vorderingen?

 De Hoge Raad komt vervolgens – anders dan de A-G – toe aan de beoordeling van de cassatieklachten van Hoist die betrekking hebben op de non-conformiteit van de gecedeerde vorderingen.

Die vordering is gebaseerd op art. 7:17 BW, waarin is bepaald dat een zaak moet beantwoorden aan de overeenkomst. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst als zij, kort gezegd, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Bij de beoordeling of dat het geval is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang.

In deze zaak benadrukt de Hoge Raad dat bij de beoordeling of sprake is van ‘niet aan de overeenkomst beantwoorden’ in de zin van art. 7:17 BW, van belang is wat partijen zijn overeengekomen. Daarbij komt het aan op uitleg van de overeenkomst.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof in deze zaak heeft geoordeeld dat Vodafone en Hoist in de cessieovereenkomst nader zijn overeengekomen in welke gevallen sprake is van ‘niet aan de overeenkomst beantwoorden’ als bedoeld in art. 7:17 BW. Partijen hebben in de cessieovereenkomst namelijk geregeld dat Hoist de cessie van deze vorderingen door Vodafone moet aanvaarden, tenzij een van de specifiek in de overeenkomst genoemde situatie zich voordoet. Het gaat daarbij om specifieke situaties waarin de overgedragen vorderingen niet of moeilijk te incasseren zijn. Het hof heeft de cessieovereenkomst vervolgens zo uitgelegd dat partijen daarmee zijn overeengekomen dat het risico dat de overgedragen vorderingen niet of moeilijk te incasseren zijn in andere situaties dan de situaties die specifiek worden genoemd in de cessieovereenkomst, voor rekening van Hoist komt, zo legt de Hoge Raad uit. Dit oordeel van het hof geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

Hoist had in dit verband ook nog een beroep gedaan op art. 7:15 BW. In dat artikel is bepaald dat de verkoper verplicht is de verkochte zaak vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen in eigendom over te dragen. De Hoge Raad oordeelt hierover:

“Art. 7:15 BW heeft geen betrekking op het niet of moeilijk incasseerbaar zijn van een overgedragen vordering als gevolg van (gehele of gedeeltelijke) nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst waaruit die vordering voortvloeit. Het oordeel van het hof dat een dergelijke eigenschap van een overgedragen vordering geen bijzondere last of beperking is in de zin van art. 7:15 BW, is derhalve juist.“

De Hoge Raad verwerpt daarmee het cassatieberoep.

Share This