Selecteer een pagina

HR 25 januari 2013, LJN BV6689 en LJN BY3126

Op een verdeling ter uitvoering van een in huwelijkse voorwaarden opgenomen periodiek en finaal verrekenbeding, overeengekomen in een vóór 1 september 2002 gesloten echtscheidingsconvenant, is het wettelijk bewijsvermoeden van art. 3:196 BW niet (analoog) van toepassing. Het verzuim terzake de nakoming van een dergelijke verdeling treedt op de voet van art. 6:83 aanhef en onder a BW, aanstonds en zonder ingebrekestelling in op het moment waarop de vordering uit hoofde van het finale verrekenbeding volgens de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden opeisbaar wordt.

De lex specialis van art. 3:196 BW

In art. 3:196-199 BW is een bijzondere dwalingsregeling opgenomen voor de verdeling van een gemeenschap als bedoeld in titel 7, afdeling 3 van boek 3 BW. Indien een deelgenoot omtrent de waarde van één of meer van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan één vierde is benadeeld, dan is de verdeling vernietigbaar (zie art. 3:196 BW). Deze regeling heeft het karakter van een wettelijk bewijsvermoeden en biedt aldus de nodige voordelen: is het bewijs geleverd dat men terzake de waarde van één of meer van de goederen of schulden is benadeeld voor meer dan één kwart, dan wordt men vermoed omtrent de waarde daarvan te hebben gedwaald, eventueel tegenbewijs daargelaten. Met de verschillende eisen die de algemene dwalingsregeling aan een beroep op dwaling stelt, heeft men bij de verdeling van een gemeenschap verder niet te maken: art. 6:228-230 BW zijn daarop niet van toepassing (zie art. 3:199 BW en HR 30 maart 2012, LJN BV3103, hier besproken op Cassatieblog).

Sinds 1 september 2002, toen de Wet regels verrekenbedingen in werking is getreden, is art. 3:196 BW ook van toepassing op de afwikkeling van verrekenbedingen in huwelijkse voorwaarden, tenzij deze uitsluitend voorzien in een finaal verrekenbeding (zie art. 1:135 lid 2 BW).

De Hoge Raad heeft zich al eens gebogen over de overgangsrechtelijke aspecten van deze regeling. In zijn beschikking van 1 september 2006, LJN AT4544, NJ 2008/166, oordeelde het college dat art. 3:196 en 3:199 BW niet van toepassing zijn op een verrekening ter uitvoering van een periodiek verrekenbeding, waarover reeds vóór de invoering van de Wet regels verrekenbedingen op 1 september 2002 overeenstemming was bereikt. Op dergelijke gevallen is dus de dwalingsregeling van art. 6:228-230 BW van toepassing.

Casus

Het onderhavige geval had betrekking op de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden, waarin zowel een periodiek als een finaal verrekenbeding waren opgenomen. Terzake deze afwikkeling hadden partijen in 1998 – dus voor de inwerkingtreding van de Wet regels verrekenbedingen –  een echtscheidingsconvenant gesloten. Op grond van deze overeenkomsten kon de vrouw aanspraak maken op betaling door de man van een bedrag van NLG 1.750.000,-. In maart 2002 stelde de vrouw zich op het standpunt dat zij omtrent de waarde van het verrekende vermogen heeft gedwaald. In plaats van op een bedrag van NLG 1.750.000,-, had zij recht op NLG 5.370.000,-, zo betoogde de vrouw.

Dwaling bij verrekening van huwelijksvermogen vóór 1 september 2002

De appelrechter nam in dit geval tot uitgangspunt dat art. 3:196 en 3:199 BW niet van toepassing zijn op de in het convenant besloten verdeling, nu dat convenant was tot stand gekomen vóór 1 september 2002, maar overwoog dat niettemin ook hier moet worden aangenomen dat de vrouw omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen of schulden heeft gedwaald. Het hof baseerde zich hierbij op een rapport van een deskundige die had becijferd dat het verschil tussen de waarde van het vermogen, welke het uitgangspunt vormde van het convenant, en de werkelijke waarde daarvan, NLG 660.000,- bedroeg. Het hof achtte dit verschil een toereikende grond om te kunnen oordelen dat sprake is geweest van wederzijdse dwaling als bedoeld in art. 6:228 lid 1, aanhef en sub c BW.

De vraag rijst wat de appelrechter hier nu precies heeft beoogd. Heeft hij analoge toepassing willen geven aan het wettelijk bewijsvermoeden van art. 3:196 BW, binnen de op deze casus toepasselijke algemene dwalingsregeling van art. 6:228-230 BW? Of meende hij dat via de algemene bewijsregels een vermoeden van dwaling als bedoeld in art. 6:228-230 BW kon worden geconstrueerd?

De Hoge Raad leest de door de man in cassatie bestreden uitspraak van het hof aldus, dat daarin analoge toepassing is gegeven aan het bewijsvermoeden van art. 3:196 BW. Daarmee heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zo oordeelt de Hoge Raad, onder verwijzing naar zijn hiervoor genoemde beschikking van 1 september 2006. Meer woorden maakt de Hoge Raad er niet aan vuil, maar de ratio ligt voor de hand: door analoge toepassing van art. 3:196 BW wordt aan het overgangsrechtelijke beginsel van eerbiediging van reeds verkregen rechten (vgl. art. 69 en 79 Ow BW) via de achterdeur alsnog getornd. Zie ook rov. 3.7 van de beschikking van 1 september 2006. Daarbij maakt het geen verschil dat het in de uitspraak van 1 september 2006 uitsluitend om de afwikkeling van een periodiek verrekenbeding ging en in casu tevens om de afwikkeling van een finaal verrekenbeding.

Nu in dit geval de algemene dwalingsregeling van art. 6:228-230 BW toepasselijk is, diende te worden onderzocht of het echtscheidingsconvenant bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten (zie art. 6:228 BW). Het hof had dit achterwege gelaten en ook dat is onjuist, zo oordeelt de Hoge Raad. Daaraan voegt de Hoge Raad, kennelijk met het oog op het onderhavige geval, waarin de huwelijkse voorwaarden zoals gezegd zowel een finaal als periodiek verrekenbeding bevatten, het volgende toe:

“4.4 (…) Deze vraag [of het echtscheidingsconvenant bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten; MP] kon in het onderhavige geval, waarin de gestelde dwaling betrekking heeft op de waarde van de tot de fictieve algehele gemeenschap behorende goederen, slechts worden beantwoord door de waarde van alle tot die gemeenschap behorende activa en passiva in onderling verband en samenhang te beoordelen. Het hof heeft dit miskend.”

Ingangsdatum wettelijke rente

In het namens de vrouw ingestelde, incidentele cassatieberoep stond onder meer de vraag centraal wanneer de wettelijke rente over het door de vrouw gevorderde toewijsbaar is. Het hof oordeelde dat man vanaf datum inleidende dagvaarding in verzuim was, nu niet is gebleken dat de vrouw de man eerder in verzuim heeft gebracht. In cassatie heeft de vrouw erop gewezen dat partijen in hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat verrekening van het huwelijksvermogen opeisbaar is één jaar na ontbinding van het huwelijk, dat het huwelijk is ontbonden op 18 maart 1999, zodat de man vanaf 18 maart 2000 in verzuim is en wettelijke rente verschuldigd. Dit betoog van de vrouw slaagt. De Hoge Raad zoekt aansluiting bij zijn arrest van 2 december 2011, LJN BU6591 (hier besproken op Cassatieblog), waarin het onder meer ging om de vraag, wanneer de vordering terzake een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding opeisbaar wordt en op welk moment het verzuim terzake intreedt. Wederom toegesneden op het onderhavige geval overweegt de Hoge Raad:

“5.4 (…) In een geval als het onderhavige, waarin de huwelijkse voorwaarden zowel een finaal als een periodiek verrekenbeding bevatten en het ervoor moet worden gehouden dat een vordering van één van de partijen uit hoofde van het finale verrekenbeding tevens ziet op het niet-nageleefde periodieke verrekenbeding – treedt het verzuim op de voet van artikel 6:83 aanhef en onder a BW, aanstonds en zonder ingebrekestelling in op het moment waarop de vordering uit hoofde van het finale verrekenbeding volgens de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden opeisbaar wordt (vgl. HR 2 december 2011, LJN BU6591, NJ 2012/173, rov. 3.7).”

Dat het hof bij zijn oordeel niet de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2011 heeft betrokken, valt overigens te begrijpen. Het onderhavige cassatieberoep richtte zich tegen de door het hof in deze zaak gewezen tussenarresten, waarvan het laatste tussenarrest het karakter van een deeluitspraak had. Dit tussenarrest was gewezen op 31 augustus 2010, derhalve vóór de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2011.

De lezer die geïnteresseerd is in de lotgevallen van het cassatieberoep tegen het in de onderhavige zaak gewezen eindarrest, zij verwezen naar de uitspraak die de Hoge Raad eveneens wees op 25 januari 2013, gepubliceerd onder LJN BY3126. Ook dit arrest sneuvelde, zij het op aantal ondergeschikte punten.

Share This